Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:1997:AA2220

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
08-07-1997
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
31137
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Gemeentewet 274 (oud)
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Belastingblad 1997/737 met annotatie van J.P. Kruimel
BNB 1997/291 met annotatie van Van Leijenhorst
FED 1997/573 met annotatie van W.J.N.M. SNOIJINK
FED 1997/552
WFR 1997/1054, 1
V-N 1997/2782, 31 met annotatie van Redactie
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

gewezen op het beroep in cassatie van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Ermelo tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Arnhem van 6 maart 1995 betreffende de aan vennootschap onder firma X te Z opgelegde aanslag in de bouwgrondbelasting complex a van de gemeente Ermelo.

1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof Aan belanghebbende is als genothebbende krachtens zakelijk recht van de onroerende zaak, kadastraal bekend gemeente Ermelo, sectie K, nummer , een aanslag in de bouwgrondbelasting complex a van de gemeente Ermelo opgelegd ten bedrage van ƒ 59.096,60. Deze aanslag is, na daartegen gemaakt bezwaar, ingevolge een daartoe gedaan verzoek van belanghebbende de belasting niet te heffen in de vorm van een heffing ineens maar in de vorm van een jaarlijkse belasting gedurende twintig jaar bij uitspraak van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Ermelo (hierna: B en W) verminderd tot een aanslag voor het jaar 1988 ten bedrage van ƒ 5.578,30 en nadien bij ambtshalve genomen beschikking verminderd tot een ten bedrage van ƒ 5.545,51. Belanghebbende is van de uitspraak van B en W in beroep gekomen bij het Hof. Het Hof heeft de uitspraak vernietigd en de aanslag verminderd tot een aanslag ten bedrage van ƒ 2.772,75. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie B en W hebben tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. Belanghebbende heeft een vertoogschrift ingediend. Partijen hebben de zaak doen toelichten, B en W door Mr J.W. Meijer en belanghebbende door Mr E. Grabandt, beiden advocaat bij de Hoge Raad.

3. Beoordeling van het middel 3.1. Voorzover hier van belang houdt de Verordening bouwgrondbelasting complex a, zoals zij luidt na wijziging bij verordening nr 124.738 van 21 juni 1990, het volgende in: Artikel 3 Heffingsmaatstaf. 1. De grondslag waarnaar de belasting wordt geheven is het aantal vierkante meters klassificatie-oppervlakte van het onroerend goed. 2. Onder klassificatie-oppervlakte wordt verstaan het aantal vierkante meters oppervlakte van het onroerend goed vermenigvuldigd met (...) een liggingsfactor als bedoeld in artikel 5.

Artikel 5 De liggingfactor voor de onroerende goederen, op de in artikel 1, derde lid, bedoelde kaart in kleuren aangegeven, is voor: a. rood 1,00 B. groen 0,50.

3.2. Blijkens de op artikel 5 gegeven toelichting heeft de gemeentelijke wetgever met de invoering van de twee liggingsfactoren ermee rekening willen houden dat de onroerende zaken die in de heffing van de onderhavige bouwgrondbelasting worden betrokken, door verschillen in ligging niet in gelijke mate profiteren van de voorzieningen van openbaar nut terzake waarvan de belasting wordt geheven. Ingevolge de Verordening is op het perceel van belanghebbende liggingsfactor 1 van toepassing. 3.3. Naar het oordeel van het Hof hebben B en W onvoldoende weerlegd dat tengevolge van het ontbreken van een effectieve draaiplaats op een eerder doorlopende maar thans doodlopende weg het perceel van belanghebbende ontoegankelijk is voor vrachtautocombinaties. Daaraan heeft het Hof de conclusie verbonden dat het perceel per saldo als gevolg van de getroffen voorzieningen van openbaar nut in verminderde mate in een voordeliger positie is komen te verkeren. Het Hof heeft vervolgens geoordeeld dat het bezwaar van belanghebbende tegen factor 1 voor "ligging" terecht is, dat die factor in zoverre onverbindend is en dat die factor dient te worden verlaagd tot 0,5. 3.4. Het middel, dat zich tegen laatstgemeld oordeel richt, is gegrond. Immers, de rechter die van oordeel is dat een liggingsfactor die overeenkomstig de desbetreffende bouwgrondbelastingverordening op een onroerende zaak is toegepast, ten aanzien van die zaak niet in overeenstemming is met de mate waarin die zaak door zijn ligging profiteert van de voorzieningen van openbaar nut, is niet bevoegd voor die factor een andere in de plaats stellen die naar zijn oordeel wèl aan de mate van profijt recht doet. Door de gegrondbevinding van het middel kan de uitspraak van het Hof niet in stand blijven.

4. Na cassatie Indien juist is dat, naar in de door belanghebbende voor het Hof aangevoerde stellingen ligt besloten, zich hier voordoet dat de gemeentelijke wetgever bij weging van de mate waarin het perceel van belanghebbende als gevolg van zijn ontoegankelijkheid minder profiteert van de voorzieningen van openbaar nut dan percelen die anders zijn gelegen, in redelijkheid niet tot het oordeel heeft kunnen komen dat liggingsfactor 1 op het perceel van belanghebbende moet worden toegepast, dient dat wat betreft dat perceel te leiden tot onverbindendheid van de Verordening. Nu het Hof deze stellingen van belanghebbende niet heeft onderzocht, moet verwijzing volgen.

5. Proceskosten De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken.

6. Beslissing De Hoge Raad - vernietigt de uitspraak van het Hof, behoudens de beslissing omtrent het griffierecht; - verwijst het geding naar het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch ter verdere behandeling en beslissing van de zaak in meervoudige kamer met inachtneming van dit arrest.

Dit arrest is op 8 juli 1997 vastgesteld door de vice-president Stoffer als voorzitter, en de raadsheren Urlings, Zuurmond, Fleers en Pos, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Boorsma, en op die datum in het openbaar uitgesproken.