Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:1997:AA2218

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
25-06-1997
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
30864
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wet op de loonbelasting 1964 32 (oud), geldigheid: 1997-06-25
Wet op de loonbelasting 1964 32a (oud), geldigheid: 1997-06-25
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BNB 1997/275
WFR 1997/979
V-N 1997/2625, 19

Uitspraak

gewezen op de beroepen in cassatie van X te Z en van de Staatssecretaris van Financiën tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 28 oktober 1994 betreffende na te melden beschikking ingevolge artikel 41, lid 4, van de Algemene Ouderdomswet en de daarmee corresponderende bepalingen in de overige wetten inzake de volksverzekeringen in verbinding met artikel 32a, lid 7, van de Wet op de loonbelasting 1964 (tekst tot 1 juni 1990) waarbij belanghebbende aansprakelijk is gesteld voor betaling van premies volksverzekeringen.

1. Beschikking van de Inspecteur, bezwaar en geding voor het Hof De Inspecteur heeft bij beschikking van 14 februari 1989 belanghebbende als bestuurder van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid E B.V., gevestigd te Q, aansprakelijk gesteld voor een bedrag van ƒ 27.986,-- wegens door deze vennootschap niet afgedragen premies volksverzekeringen over het tijdvak 1 januari 1987 tot en met 30 september 1987 inclusief een verhoging welke is begrepen in de terzake aan deze vennootschap opgelegde naheffingsaanslag, welke aansprakelijkstelling, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd. Belanghebbende is van de uitspraak van de Inspecteur in beroep gekomen bij het Hof. Het Hof heeft de uitspraak vernietigd en de aansprakelijkstelling verminderd tot een bedrag van ƒ 13.993,--, zonder verhoging. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie Ieder van partijen heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. De beroepschriften in cassatie zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit. Partijen hebben over en weer het beroep bij vertoogschrift bestreden.

3. Beoordeling van de klachten van belanghebbende Belanghebbendes klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien artikel 101a van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4. Beoordeling van het middel van de Staatssecretaris 4.1. Met betrekking tot de aansprakelijkstelling van belanghebbende op de voet van artikel 41, lid 4, van de Algemene Ouderdomswet en de daarmee corresponderende bepalingen in de overige wetten inzake de volksverzekeringen in verbinding met artikel 32a, lid 7, van de Wet op de loonbelasting 1964 (in de tot 1 juni 1990 geldende tekst; hierna: de Wet) heeft het Hof - voor zover die aansprakelijkstelling betreft de in de onderhavige naheffingsaanslag begrepen verhoging - onder verwijzing naar zijn uitspraak van 12 oktober 1993, nr. 89/4931, MK-IV, gepubliceerd in Vakstudie Nieuws 1994, blz. 1245, geoordeeld dat de bestuurdersaansprakelijkheid zich niet uitstrekt tot de opgelegde verhoging. Dit oordeel wordt door het middel bestreden. 4.2. Voor zover in deze zaak van belang is blijkens het bepaalde in artikel 32, lid 1, aanhef en letter e, van de Wet ieder van de bestuurders van een lichaam als daarbedoeld overeenkomstig het bepaalde in artikel 32a van de Wet hoofdelijk aansprakelijk voor "de belasting" die door dat lichaam als inhoudingsplichtige verschuldigd is. Weliswaar is in die artikelen niet met zoveel woorden tot uitdrukking gebracht dat de aansprakelijkheid van ieder van de bestuurders mede omvat een wegens het niet betalen van belasting aan het lichaam opgelegde boete maar dit ligt besloten in het bezigen in die artikelen van de term belasting. Immers, in het stelsel van de heffing van rijksbelastingen, welk stelsel voor zover hier van belang van overeenkomstige toepassing is op de heffing van premies volksverzekeringen, wordt een wegens het niet betalen van belasting belopen boete opgelegd in de vorm van het verhogen van de niet betaalde enkelvoudige belasting. Zodanige boete is derhalve verschuldigd als belasting. Aansprakelijkstelling van een bestuurder voor de in een naheffingsaanslag begrepen boete beantwoordt derhalve aan de tekst van artikel 32 van de Wet. Dit is ook in overeenstemming met artikel 32d, lid 1, van de Wet, waarin op het punt van de verhoging ten aanzien van de aansprakelijkheid van aannemers uitdrukkelijk een uitzondering wordt gemaakt, alsmede met hetgeen in de parlementaire stukken ter toelichting op artikel 32a werd opgemerkt, voor zover hier van belang inhoudende: (Het) bezwaar en beroep kan zich, behalve tegen de aansprakelijkheid als zodanig, tevens richten tegen het bedrag aan belasting waarvoor men aansprakelijk is gesteld. (...) in dit bedrag aan belasting kan een verhoging op grond van de artikelen 21 en 22 van de (AWR) zijn begrepen. Ook hiertegen is dus bezwaar en beroep voor iedere aansprakelijk gestelde bestuurder toegestaan (Kamerstukken II, 1980/81, 16 530, nr. 3, blz. 25).

Bovendien is de aansprakelijkstelling van de bestuurder voor de in een naheffingsaanslag begrepen boete in overeenstemming met de strekking van deze bepalingen die in de Wet zijn opgenomen als onderdeel van het geheel van bepalingen (de zogenoemde tweede en derde anti-misbruikwetten) dat is gericht op de bestrijding van het misbruik dat van rechtspersonen wordt gemaakt. 4.3. Naar aanleiding van het middel verdient het volgende nog opmerking. 4.3.1. In verband met het preventieve en bestraffende karakter van de verhoging moet de inspecteur die deze oplegt aan een lichaam als bedoeld in artikel 32, lid 1, aanhef en letter e, van de Wet bewijzen dat aan opzet of grove schuld van dat lichaam is te wijten dat te weinig belasting is geheven. Indien nu, zoals hier, een bestuurder wordt aangesproken voor de aan dat lichaam opgelegde verhoging valt niet in te zien dat die verhoging haar preventieve en bestraffende karakter verliest ten aanzien van die bestuurder. Het is dan in overeenstemming met dat karakter en met de in artikel 6 EVRM neergelegde waarborgen om aan te nemen dat voor zodanige aansprakeljkstelling slechts plaats is als de inspecteur tevens bewijst dat het kennelijk onbehoorlijk bestuur waarop de aansprakelijkstelling berust, bestaat uit zodanige gedragingen dat daaruit volgt dat aan opzet of grove schuld van degenen die het bestuur vormden is te wijten dat te weinig belasting is geheven. In zoverre geldt derhalve niet het in artikel 32a, lid 3, van de Wet bedoelde vermoeden van schuld. 4.3.2. Het is voorts in overeenstemming met de in artikel 6 EVRM neergelegde waarborgen het bepaalde in de laatste volzin van de leden 2 en 3 van artikel 32a van de Wet en het bepaalde in lid 8 van dat artikel zo uit te leggen dat de voor de verhoging aansprakelijk gestelde bestuurder tegenover evenbedoeld door de inspecteur te leveren bewijs aannemelijk mag maken dat het belopen van de boete niet aan hem is te wijten alsmede feiten en omstandigheden mag aanvoeren waarmee niet reeds bij de kwijtschelding van de verhoging zelf is rekening gehouden en die te zijnen aanzien tot vermindering van het bedrag aan verhoging waarvoor deze bestuurder aansprakelijk is gesteld aanleiding kunnen geven. 4.4. Uit het vorenoverwogene volgt dat anders dan het Hof heeft geoordeeld de aansprakelijkheid van de bestuurder voor de niet betaalde belasting mede kan omvatten de in verband met die niet-betaling belopen boete. Het middel is gegrond. De uitspraak kan niet in stand blijven. Verwijzing moet volgen.

5. Proceskosten De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken.

6. Beslissing De Hoge Raad - verwerpt het beroep van belanghebbende; - vernietigt op het beroep van de Staatssecretaris van Financiën de uitspraak van het Hof, behoudens de beslissing omtrent het griffierecht; en - verwijst het geding naar het Gerechtshof te Amsterdam ter verdere behandeling en beslissing van de zaak in meervoudige kamer met inachtneming van dit arrest.

Dit arrest is op 25 juni 1997 vastgesteld door de vice-president Stoffer als voorzitter, en de raadsheren Urlings, Zuurmond, Pos en Beukenhorst, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Barendse, en op die datum in het openbaar uitgesproken.