Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:1997:AA2216

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
15-07-1997
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
30424
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BNB 1997/326 met annotatie van P.H.J. Essers
FED 1997/578
FED 1997/604 met annotatie van G.Th.K. Meussen
WFR 1997/1062
V-N 1997/2849, 21 met annotatie van Redactie
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

gewezen op het beroep in cassatie van X te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 2 juni 1994 betreffende de hem voor het jaar 1985 opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting.

1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof Aan belanghebbende is voor het jaar 1985 een aanslag in de inkomstenbelasting opgelegd naar een belastbaar inkomen van ƒ 783.767,--, met toepassing van het bijzondere tarief van artikel 57, lid 2, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (hierna: de Wet) op een inkomensbestanddeel van ƒ 391.900,--, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is verminderd in die zin dat het bedrag van ƒ 391.900,-- is belast naar het tarief van artikel 57, lid 4, van de Wet. Belanghebbende is van de uitspraak van de Inspecteur in beroep gekomen bij het Hof. Bij ambtshalve gegeven beschikking van de Inspecteur is de aanslag vervolgens verminderd tot een aanslag naar eenzelfde belastbaar inkomen, met toepassing van het bijzondere tarief van artikel 57, lid 4, van de Wet op een inkomensbestanddeel van ƒ 391.900,--, alsmede met toepassing van het bijzondere tarief van artikel 57, lid 2, van de Wet op een inkomensbestanddeel van ƒ 238.779,--. Het Hof heeft de aanslag gehandhaafd zoals deze luidt na de ambtshalve door de Inspecteur verleende vermindering. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De Staatssecretaris van Financiën heeft een vertoogschrift ingediend.

3. Beoordeling van de middelen 3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan. Belanghebbende en zijn negen broers en zusters waren tezamen, als erven, houder van nominaal ƒ 335.000,-- gecertificeerde gewone aandelen in B B.V., en van nominaal ƒ 70.000,-- gecertificeerde gewone aandelen in C B.V. B B.V. bezat nominaal ƒ 30.000,-- gewone aandelen en ƒ 462.400,-- preferente aandelen in C B.V., terwijl C B.V. ƒ 110.000,-- gewone aandelen in B B.V. bezat. C B.V. had geen andere activa dan de deelneming in B B.V. B B.V. verrichtte ondernemingsactiviteiten op het gebied van vervoer. In mei 1985 is B B.V. ertoe overgegaan zowel van C B.V. als van vorenbedoelde erven nominaal ƒ 110.000,-- gewone aandelen in te kopen. De inkoopprijs van deze pakketten bedroeg ƒ 4.029.000,-- per pakket. Bij akte van 10 juli 1985 hebben de erven en B B.V. de door hen gehouden aandelen C B.V. verkocht en overgedragen aan een bank. Belanghebbende heeft zijn aandeel in de verkoopprijs ten bedrage van ƒ 245.779,-- verminderd met de desbetreffende nominale waarde van ƒ 7.000,--, derhalve ƒ 238.779,--, aangegeven als winst uit aanmerkelijk belang. De Inspecteur heeft het bedrag van ƒ 238.779,-- bij bovengenoemde ambtshalve verleende vermindering belast naar het tarief van artikel 57, lid 2, van de Wet. In 1988 zijn alle aandelen B B.V. gekocht door een houdstermaatschappij van een broer van belanghebbende. 3.2. Het Hof heeft geoordeeld, kort samengevat, dat sprake is geweest van een samenstel van rechtshandelingen dat valt binnen het bereik van de door de Hoge Raad in de arresten van 11 juli 1990, BNB 1990/290 en 293, ontwikkelde wetstoepassing. Hiertegen richten zich de middelen 1, 2 en 3. 3.3. Middel 1 houdt in dat onbegrijpelijk is 's Hofs oordeel dat hier sprake is van een samenstel van rechtshandelingen waardoor de aandeelhouder steeds en op ieder gewenst moment de beschikking kon krijgen over de in de vennootschap opgebouwde reserves zonder deze tot zijn inkomsten uit vermogen te moeten rekenen, aangezien door deze rechtshandelingen slechts eenmalig de beschikking over de reserves kon worden verkregen. Het middel faalt, aangezien dit oordeel ziet op de situatie dat de reserves nog niet aan de vennootschap waren onttrokken en niet valt in te zien waarom een dergelijk samenstel van rechtshandelingen dan niet steeds en op ieder gewenst moment zou kunnen worden tot stand gebracht. 3.4. In middel 2 wordt betoogd dat het Hof ten onrechte heeft geoordeeld dat belanghebbende zijn belang bij de activiteiten van B B.V. heeft behouden aangezien in 1988 alle aandelen B B.V. zijn verkocht aan een houdstermaatschappij van een derde. Het Hof heeft echter slechts de in 1985 uitgevoerde inkoop van aandelen door B B.V. en de daarop volgende verkoop van de aandelen C B.V. aangemerkt als een samenstel van rechtshandelingen en kennelijk geoordeeld dat de latere verkoop in 1988 van de aandelen B B.V. daarvan geen deel uitmaakte. Dit oordeel kan als van feitelijke aard en niet onbegrijpelijk in cassatie niet met vrucht worden bestreden. Hierdoor ontvalt de grondslag aan het middel, dat derhalve eveneens faalt. 3.5. Middel 3 verwijt het Hof dat het geen rekening heeft gehouden met de omstandigheid dat belanghebbende niet betrokken is geweest bij het tot stand brengen van de in 1985 bestaande vennootschappelijke structuur. Aangezien het Hof, zoals onder 3.4 is overwogen, slechts de in 1985 uitgevoerde inkoop van aandelen door B B.V. en de verkoop van de aandelen C B.V. heeft aangemerkt als een samenstel van rechtshandelingen, behoefde het Hof niet in zijn beoordeling te betrekken hoe de voordien bestaande vennootschappelijke structuur was ontstaan. Ook middel 3 faalt. 3.6. Nu belanghebbende langs een omweg een deel van de reserves van C B.V. heeft uitgekeerd gekregen is niet van belang, evenmin als bij een rechtstreekse uitkering van die reserves het geval zou zijn geweest, wanneer en op welke wijze die reserves tot stand waren gekomen. Voor het belasten van een deel van de uitgekeerde reserves naar het aanmerkelijk- belangtarief van 20%, zoals in middel 4 wordt bepleit, is derhalve geen plaats, zodat ook dit middel faalt.

4. Ambtshalve aanwezig bevonden grond tot cassatie 4.1. 's Hofs uitspraak houdt in dat belanghebbende door de verkoop van de aandelen C B.V. geacht moet worden inkomsten uit die aandelen te hebben genoten. Die inkomsten komen - gelet op het tijdstip waarop de aandelen C B.V. belanghebbende krachtens erfrecht zijn opgekomen - in aanmerking voor de faciliteit welke tot het jaar 1990 was opgenomen in artikel 57, lid 1, letter f van de Wet (en thans in artikel 57a, lid 1, letter c, van de Wet). 4.2. Het is immers redelijk die - destijds nog alleen bij inkoop van aandelen geldende - faciliteit hier niet alleen mogelijk te achten voor de inkomsten uit de door B B.V. rechtstreeks van de erfgenamen ingekochte aandelen, maar ook voor de gelden die als gevolg van de inkoop door B B.V. van haar door C B.V. gehouden aandelen naar C B.V. zijn gevloeid en vervolgens via een omweg als inkomsten uit de krachtens erfrecht aan de erfgenamen opgekomen aandelen C B.V. zijn genoten. Het maximaal te faciliëren bedrag moet dan, gelet op de functie van C B.V. als uitsluitend houdstermaatschappij, worden gesteld op een derde van de waarde van alle aandelen B B.V. ten tijde van de verkrijging door de erfgenamen van de aandelen B B.V. en C B.V. 4.3. In 's Hofs uitspraak ligt verder besloten dat belanghebbende het verzoek heeft gedaan waar mogelijk een bijzonder tarief toe te passen. 4.4. De Hoge Raad kan de zaak zelf afdoen. Uit de stukken van het geding blijkt dat voor elk van de erfgenamen het maximaal te faciliëren bedrag moet worden gesteld op (1/3 van 445 is afgerond) 148 aandelen B B.V. (nominaal groot ƒ 100,--) à ƒ 3.662,73,--, te verminderen met de nominale waarde van ƒ 14.800,--, ofwel ƒ 527.284,--, zodat voor iedere erfgenaam naast het door rechtstreekse inkoop reeds gefacilieerde bedrag groot ƒ 391.900,-- nog ƒ 135.384,-- voor toepassing van het 20%-tarief in aanmerking komt.

5. Proceskosten In het door belanghebbende ingestelde beroep in cassatie zal de Staatssecretaris van Financiën in de kosten worden veroordeeld.

6. Beslissing De Hoge Raad - vernietigt de uitspraak van het Hof, behoudens de beslissingen omtrent het griffierecht en de proceskosten, alsmede de uitspraak van de Inspecteur; - vermindert de aanslag tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen van ƒ 783.767,--, waarvan een bedrag van ƒ 527.284,-- belast naar het bijzondere tarief van artikel 57, lid 4 van de Wet en een bedrag van ƒ 103.395,-- belast naar het bijzondere tarief van artikel 57, lid 2 van de Wet; - gelast dat door de Staatssecretaris van Financiën aan belanghebbende wordt vergoed het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie gestorte griffierecht ten bedrage van ƒ 300,--; en - veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op ƒ 2.840,-- voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Dit arrest is op 15 juli 1997 vastgesteld door de vice-president Stoffer als voorzitter, en de raadsheren Urlings, Zuurmond, Pos en Fleers, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Reijngoud, en op die datum in het openbaar uitgesproken.