Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:1997:AA2212

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
08-07-1997
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
31940
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Belastingblad 1997/823 met annotatie van Redactie
BNB 1997/311
FED 1997/608 met annotatie van B. Sio
FED 1997/549
WFR 1997/1058, 1
V-N 1997/2784, 33 met annotatie van Redactie
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

gewezen op het beroep in cassatie van Gedeputeerde Staten van de provincie Utrecht tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 4 december 1995 betreffende na te melden aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid X B.V. te Z voor het jaar 1988 opgelegde aanslag in de zuiveringsheffing van de provincie Utrecht.

1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof Aan belanghebbende is voor het jaar 1988 een aanslag in de zuiveringsheffing van de provincie Utrecht opgelegd ten bedrage van ƒ 118.378,80, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van Gedeputeerde Staten van de provincie Utrecht (hierna: GS) is gehandhaafd. Belanghebbende is van de uitspraak van GS in beroep gekomen bij het Hof. Het Hof heeft die uitspraak vernietigd en de aanslag verminderd tot een aanslag ten bedrage van ƒ 108.013,38. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie GS hebben tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. Belanghebbende heeft een vertoogschrift ingediend.

3. Beoordeling van de middelen 3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan. Belanghebbende is als gebruikster van een bedrijfsruimte onderworpen aan de zuiveringsheffing van de provincie Utrecht. Op het ingevolge artikel 13, lid 3, van de Verordening zuiveringsheffing provincie Utrecht 1986 gedane verzoek van belanghebbende hebben GS beslist dat zij wat betreft het onderhavige heffingsjaar, 1988, voor de berekening van de vervuilingswaarde mocht volstaan met het meten en bemonsteren van het afvalwater gedurende één week per elke zeventien weken. Hieraan heeft belanghebbende voldaan. In 1988 is op 236 dagen in het bedrijf van belanghebbende geproduceerd. Buiten die dagen vond geen meting of bemonstering van afvalwater plaats. In haar voor het jaar 1988 gedane aangifte heeft belanghebbende uitgaande van een gemiddelde vervuilingswaarde van 2696,5 vervuilingseenheden per dag waarop in haar bedrijf werd geproduceerd (hierna: productiedagen), het aantal vervuilingseenheden (hierna: v.e.) berekend op ((236:365) x 2696,5 =) 1743,5, welke vervuilingswaarde zij voor het Hof nader heeft berekend op ((236:366) x 2696,5 =) 1738,7. Bij het opleggen van de aanslag zijn GS ook uitgegaan van 2696,5 v.e. maar hebben zij in afwijking van de aangifte het aantal productiedagen gesteld op (52 weken van 5 werkdagen =) 260. 3.2. Het geschil voor het Hof betrof de vraag - de uitspraak van het Hof en de stukken van het geding laten geen andere gevolgtrekking toe - of op geen van de dagen waarop in het bedrijf van belanghebbende niet werd geproduceerd, verontreinigende afvalstoffen op het oppervlaktewater zijn geloosd. 3.3. Het Hof heeft die vraag, die feitelijk van aard is, bevestigend beantwoord.Van die beantwoording behoefde het Hof zich niet te laten weerhouden door de omstandigheid dat niet door meting en bemonstering is vastgesteld dat op de in 3.2 bedoelde dagen geen lozing van verontreinigende afvalstoffen heeft plaatsgevonden. Immers, noch artikel 13, lid 3, van de Verordening noch enige andere bepaling verhindert dat dit gegeven ook langs andere weg dan meting en bemonstering kan komen vast te staan. Voorzover de middelen uitgaan van een andere opvatting, falen zij derhalve. Met name faalt ook de in het eerste middel geformuleerde rechtsklacht dat het Hof ten onrechte geen volstrekt beslissende betekenis heeft toegekend aan de meetsystematiek als vastgelegd in de door GS op verzoek gegeven beschikking van 29 maart 1988 met bijbehorend voorschrift, nu niet valt in te zien waarom de omstandigheid dat bij de gevolgde berekeningswijze mag worden uitgegaan van de in het daar aangehaalde voorschrift opgenomen fictie, eraan in de weg zou staan in voorkomende gevallen rekening te houden met later gebleken afwijkingen in de feitelijke situatie. 3.4. De middelen falen ook voor het overige. Het oordeel van het Hof dat de in 3.2 bedoelde vraag bevestigend moet worden beantwoord berust op de aan het Hof voorbehouden waardering van de bewijsmiddelen zodat het in cassatie niet met vrucht kan worden bestreden. Bij dit oordeel is het Hof niet uitgegaan van een onjuiste verdeling van de bewijslast, zulks in aanmerking genomen dat niet in geschil is dat in 1988 op niet meer dan 236 dagen in het bedrijf van belanghebbende is geproduceerd alsmede dat GS, die immers bij het opleggen van de aanslag zijn uitgegaan van 260 productiedagen, kennelijk in beginsel als juist hebben aanvaard de stelling van belanghebbende dat op dagen dat niet wordt geproduceerd ook geen lozing van verontreinigende afvalstoffen plaatsvindt.

4. Proceskosten De Hoge Raad acht, gelet op de inhoud van het procesdossier, termen aanwezig om ten aanzien van de proceskosten die belanghebbende in verband met het geding in cassatie voor de onderhavige zaak redelijkerwijs heeft moeten maken, te beslissen als hierna zal worden vermeld.

5. Beslissing De Hoge Raad: - verwerpt het beroep; - veroordeelt Gedeputeerde Staten in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op ƒ 1.420,-- voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand; en - wijst de provincie Utrecht aan als de rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden.

Dit arrest is op 8 juli 1997 vastgesteld door de vice-president Stoffer als voorzitter, en de raadsheren Urlings, Fleers, Pos en Beukenhorst, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Boorsma, en op die datum in het openbaar uitgesproken.

Van Gedeputeerde Staten wordt terzake van dit beroep in cassatie een recht geheven van ƒ 300,--.