Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:1997:AA2194

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
08-07-1997
Datum publicatie
02-06-2009
Zaaknummer
32068
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Dag van toezending a.b.i. 3:41 Awb is dag van terpostbezorging. Uitreiking is uitreiking door overheidsorgaan zelf en niet door PTT.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 3:41
Algemene wet bestuursrecht 6:8
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BNB 1997/312
FED 1997/548
WFR 1997/1060
V-N 1997/2654, 4 met annotatie van Redactie
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

gewezen op het beroep in cassatie van X te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 5 januari 1996 betreffende de hem voor het jaar 1988 opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting.

1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof

Aan belanghebbende is voor het jaar 1988 een aanslag in de inkomstenbelasting opgelegd, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is verminderd tot een aanslag naar een belastbaar inkomen van ƒ 69.773,--. Belanghebbende is van de uitspraak van de Inspecteur in beroep gekomen bij het Hof. Het Hof heeft het beroep van belanghebbende niet-ontvankelijk verklaard. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De Staatssecretaris van Financiën heeft een vertoogschrift ingediend.

3. Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep in cassatie

3.1. De uitspraak van het Hof is op 12 januari 1996 aangetekend aan partijen verzonden. Het beroepschrift in cassatie is bij het Hof ingekomen op 14 maart 1996. Belanghebbende stelt dat de uitspraak van het Hof aan hem op 1 februari 1996 is uitgereikt en dat hij uit de toelichting van het Hof inzake de beroepstermijn opmaakte dat de beroepstermijn na de datum waarop de uitspraak door de PTT aan hem was uitgereikt, zou ingaan.

3.2. Indien, zoals hier het geval is, de dag van dagtekening van de uitspraak gelegen is vóór de dag van de bekendmaking van die uitspraak, vangt op grond van de artikelen 6:8 en 3:41 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) de termijn voor het instellen van beroep in cassatie aan met ingang van de dag na de dag van toezending of uitreiking van die uitspraak. Onder de dag van toezending moet worden verstaan de dag van terpostbezorging van de uitspraak, ongeacht of de verzending bij aangetekende post of anderszins geschiedt. De uitreiking bedoeld in artikel 3:41 Awb, waarnaar kennelijk wordt verwezen in de met de uitspraak aan belanghebbende gezonden mededeling van (de griffier van) het Hof, is naar moet worden aangenomen de uitreiking door het betrokken overheidsorgaan zelf en niet, zoals belanghebbende aanvoert te hebben verondersteld, de uitreiking door de PTT in geval van aangetekende verzending.

3.3. In de vermelde mededeling van (de griffier van) het Hof omtrent de termijn waarbinnen het cassatieberoep kan worden ingesteld, zouden de woorden "toegezonden of" zinloos zijn - en daarmee de combinatie "toegezonden of uitgereikt" onlogisch - indien zou worden uitgegaan van de zojuist genoemde, onjuist bevonden veronderstelling. Daarom heeft belanghebbende aan die mededeling niet het gerechtvaardigde vertrouwen kunnen ontlenen dat - bovendien in afwijking van de daarin vermelde datum van terpostbezorging en van de op de uitspraak zelf vermelde datum van aangetekende verzending - de beroepstermijn eerst zou aanvangen bij de ontvangst van de uitspraak na uitreiking door de PTT.

3.4. Belanghebbende dient derhalve in zijn beroep niet-ontvankelijk te worden verklaard.

4. Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken.

5. Beslissing

De Hoge Raad verklaart belanghebbende niet-ontvankelijk in zijn beroep.

Dit arrest is op 8 juli 1997 vastgesteld door de raadsheer Urlings als voorzitter, en de raadsheren Pos en Beukenhorst, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Boorsma, en op die datum in het openbaar uitgesproken.