Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:1997:AA2177

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
23-04-1997
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
31736
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Successiewet 1956 10
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PW 1997, 20827
BNB 1997/204 met annotatie van Laeijendecker
FED 1997/301
WFR 1997/643, 1
V-N 1997/1865, 17 met annotatie van Redactie
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

gewezen op het beroep in cassatie van X en Y te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 16 november 1995 betreffende de aan hen opgelegde aanslagen in het recht van successie terzake van hun verkrijgingen uit de nalatenschap van A (hierna: de erflaatster).

1. Aanslagen, bezwaar en geding voor het Hof Aan belanghebbenden is ter zake van hun verkrijgingen uit voormelde nalatenschap elk een aanslag in het recht van successie opgelegd naar een verkrijging van ƒ 175.800,-- welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd. Belanghebbenden zijn van de uitspraak van de Inspecteur in beroep gekomen bij het Hof. Het Hof heeft die uitspraak bevestigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie Belanghebbenden hebben tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De Staatssecretaris van Financiën heeft een vertoogschrift ingediend.

3. Beoordeling van het middel 3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan. Erflaatster, overleden op 23 februari 1992, heeft bij testament over haar nalatenschap beschikt. Hierbij heeft zij haar beide kinderen tot enige erfgenamen benoemd, onder de last van het aan haar echtgenoot gelegateerde vruchtgebruik van de gehele nalatenschap. Erflaatster en haar echtgenoot hebben op 5 januari 1990 het pand dat zij bewoonden onder voorbehoud van een huurrecht verkocht en in eigendom overgedragen aan belanghebbenden, ieder voor de onverdeelde helft. De verplichting tot betaling van de koopsom van ƒ 96.000,-- (voor ieder der belanghebbenden ƒ 48.000,--) is op diezelfde datum bij wijze van schuldvernieuwing omgezet in een schuld wegens door de verkopers aan de kopers ter leen verstrekte gelden tot een gelijk bedrag. Deze schulden zijn onmiddellijk daarna door de verkopers kwijtgescholden. Belanghebbenden hebben al op de dag van de aankoop van het pand schriftelijk verklaard dat hun ouders voor het jaar 1990 geen huur verschuldigd zijn voor de bewoning van het pand. Vervolgens hebben zij op 23 december 1990 en 23 december 1991 voor respectievelijk 1991 en 1992 soortgelijke verklaringen aan hun ouders gedaan. Deze hebben geen huur betaald. 3.2. Ter bestrijding van het standpunt van de Inspecteur dat terzake van het pand voor elk van belanghebbenden sprake was van een verkrijging in de zin van artikel 10, lid 1 van de Successiewet 1956 (hierna: de Wet) ten bedrage van ƒ 13.920,-- betoogden belanghebbenden voor het Hof dat zij het pand destijds hebben gekocht tegen een normale prijs en dit dus niet hebben verkregen ten koste van het vermogen van hun ouders. 3.3. Het Hof heeft dit betoog verworpen en daartoe overwogen dat "de verrichte rechtshandelingen van koop en verkoop van het pand, het onmiddellijk noveren van de koopsom in geldleningen en het direct daarna kwijtschelden van die leningen" zozeer één geheel vormen dat in wezen sprake is van schenking van het pand door erflaatster en haar echtgenoot aan belanghebbenden. Het Hof heeft daarmee tot uitdrukking gebracht dat sprake was van een samenstel van rechtshandelingen waardoor het pand uit het vermogen van erflaatster is overgegaan in dat van haar kinderen en waardoor haar vermogen is verminderd. Dit oordeel geeft niet blijk van een onjuiste opvatting omtrent het bepaalde in artikel 10 van de Wet en kan voor het overige als van feitelijke aard en geen nadere motivering behoevende in cassatie niet met vrucht worden bestreden. Voor zover het middel het tegendeel inhoudt faalt het. 3.4. Het Hof heeft voorts, uitgaande van hetgeen in 3.1 is vermeld omtrent de huur van het pand, met juistheid geoordeeld dat erflaatster in de zin van de Wet het vruchtgebruik van dat pand heeft gehad, zodat ook dit oordeel tevergeefs door het middel wordt bestreden. Dit laatste geldt evenzeer voor het oordeel van het Hof dat tussen het vruchtgebruik en de onder 3.3 bedoelde, in 1990 verrichte rechtshandelingen het voor de toepassing van artikel 10, lid 1, van de Wet vereiste verband bestond, nu dat oordeel niet blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting en voor het overige, als van feitelijke aard en geen nadere motivering behoevende, in cassatie niet met vrucht kan worden bestreden.

4. Proceskosten De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken.

5. Beslissing De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is op 23 april 1997 vastgesteld door de vice-president Stoffer als voorzitter, en de raadsheren Urlings, Zuurmond, Fleers en Pos, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Barendse, en op die datum in het openbaar uitgesproken.