Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:1997:AA2161

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
11-06-1997
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
32334
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wet op de omzetbelasting 1968 3, geldigheid: 1997-06-11
Wet op de omzetbelasting 1968 7, geldigheid: 1997-06-11
Wet op de omzetbelasting 1968 8 (oud), geldigheid: 1997-06-11
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BNB 1997/304
FED 1997/441
FED 1997/560
WFR 1997/911
V-N 1997/2419, 28

Uitspraak

gewezen op het beroep in cassatie van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid X B.V. te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 21 mei 1996 betreffende na te melden naheffingsaanslag in de omzetbelasting.

1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof Aan belanghebbende is over het tijdvak 1 januari 1987 tot en met 31 december 1987 een naheffingsaanslag in de omzetbelasting opgelegd ten bedrage van ƒ 38.458,--, zonder verhoging, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd. De Inspecteur heeft op 10 februari 1994 de naheffingsaanslag ambtshalve verminderd tot een aan slag ten bedrage van ƒ 20.597,--. Belanghebbende is tegen de uitspraak van de Inspecteur in beroep gekomen bij het Hof, dat deze uitspraak heeft vernietigd en de naheffingsaanslag zoals die na ambtshalve vermindering luidt, heeft gehandhaafd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De Staatssecretaris van Financiën heeft bij ver toogschrift het cassatieberoep bestreden.

3. Beoordeling van de middelen van cassatie 3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan: Belanghebbende heeft in 1985 in Q 5 ha. grond gekocht. Ter zake van de levering van deze grond aan belanghebbende is aan haar geen omzetbelasting in rekening gebracht; ter zake van de verkrijging van de grond heeft zij wel overdrachtsbelasting betaald. In 1986 heeft zij opdracht gegeven aan een aannemer om op een deel van dit terrein, 0,3333 ha., ten behoeve van haar directeur B een woonhuis te bouwen, dat in 1987 is opgeleverd. De bouwkosten van het woonhuis hebben ƒ 882.008,-- inclusief ƒ 147.003,-- omzet belasting bedragen. Belanghebbende heeft het woonhuis met ingang van september 1987 tegen een zakelijke prijs verhuurd aan haar directeur. Zij heeft de door de aannemer in rekening gebrachte omzetbelasting niet als voorbelasting in aftrek gebracht. De Inspecteur heeft, zich op het standpunt stel lende dat sprake is van een levering als bedoeld in artikel 3, lid 1, aanhef en letter h, van de Wet op de omzetbelasting 1968 (hierna: de Wet), in de naheffingsaanslag ter zake van de grond een bedrag van ƒ 33.806,-- begrepen, later ambtshalve verminderd met ƒ 17.861,--. 3.2.1. Het Hof heeft geoordeeld dat artikel 3, lid 1, aanhef en letter h, van de Wet van toepassing is; dat het woonhuis in opdracht van belanghebbende vervaardigd is onder terbeschikkingstelling van de grond zodat naar luid van genoemde bepaling het woon huis met grond een in eigen bedrijf vervaardigd goed is; dat indien dit goed in zijn geheel van een onder nemer zou zijn betrokken, de erop drukkende omzetbelasting niet in aftrek zou kunnen worden gebracht daar de woning voor de verhuur was bestemd; dat belanghebbende over dit goed heeft beschikt voor bedrijfsdoeleinden, namelijk voor de verhuur aan haar directeur; dat derhalve aan alle eisen voor toepassing van de bepaling is voldaan; dat de tekst van artikel 5, lid 7, letter a, van de Zesde Richtlijn zodanig ruim is geformuleerd dat er redelijkerwijs niet aan kan worden getwijfeld dat de tekst van artikel 3, lid 1, aanhef en letter h, van de Wet binnen het kader van genoemde richtlijnbepaling blijft; dat dit zeker geldt voor de grond waarop de heffing in wezen betrekking heeft, daar die immers in het kader van het bedrijf is aangekocht; dat de Nederlandse bepaling in beginsel niet in strijd moet worden ge acht met de strekking van de Richtlijn; dat moet worden verworpen de stelling van belanghebbende dat in dit geval sprake zou zijn van een dienst en niet van een levering.

3.2.2. Middel 1 bestrijdt de laatstgenoemde twee oordelen. Het middel faalt, aangezien deze oordelen juist zijn.

3.2.3. Middel 2 betoogt dat het woord "beschikken" in genoemde wetsbepaling conform genoemde richt lijnbepaling moet worden uitgelegd als "bestemmen", en het "bestemmen" van in het bijzonder de grond voorafgaat aan "beschikken", althans vóór de vervaardiging een aanvang neemt. Het middel kan niet tot cassatie leiden, omdat het object van de levering in de zin van genoemde wetsbepaling en van genoemde richtlijnbepaling niet is de grond doch het woonhuis inclusief de grond.

3.2.4. Middel 3 behelst de stelling dat op grond van artikel 8, lid 3 jo. artikel 11.A, lid 1, letter b, van de Zesde Richtlijn tot de maatstaf van heffing niet kunnen worden gerekend elementen uit de kost prijs ter zake waarvan geen recht op aftrek is ontstaan. Het middel faalt eveneens, aangezien deze stelling geen steun vindt in de Wet of in de Richt lijn.

3.2.5. Het Hof heeft voorts verworpen belangheb bendes beroep op vertrouwen gewekt door de Resolutie van 27 juni 1979, nr. 279-7000 (Vakstudie Nieuws 1979, blz. 1292; hierna: de Resolutie) aangezien belanghebbende, een fiscale eenheid die zich hoofdzakelijk bezighoudt met het kweken van bloemen, niet kan worden gelijkgesteld met "woningcorporaties, gemeentelijke woningbedrijven, pensioenfondsen en dergelijke instellingen" waarop de Resolutie ziet, en heeft verder verworpen belanghebbendes beroep op het gelijkheidsbeginsel omdat de Resolutie zich kennelijk beperkt tot instellingen met een sociale doelstelling hetgeen een redelijke grond voor een ongelijke behandeling van een commerciële instelling als belangheb bende vormt.

3.2.6. Middel 4 onder A en B strekt ten betoge dat belanghebbendes activiteiten gelegen zijn in de exploitatie van onroerende zaken en het beheer van vennootschappen, zodat zij wel gelijkgesteld kan worden met de in de Resolutie genoemde instellingen, en dat voor deze ongelijke behandeling geen rechtvaardiging bestaat. Het middel kan evenmin tot cassatie leiden, nu 's Hofs oordeel niet blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting en als verweven met waarderingen van feitelijke aard voor het overige in cassatie niet op zijn juistheid getoetst kan worden.

3.2.7. 's Hofs oordeel dat de beginselen van behoorlijk bestuur betekenis missen voor de rechts kracht van wettelijke voorschriften, is juist, zodat middel 4 onder C, dat van een andersluidende opvatting uitgaat, evenmin tot cassatie kan leiden. Artikel 1, lid 2, van het Belastingstatuut (Vakstudie Nieuws 1991, blz. 3207) kan daaraan niet afdoen.

4. Proceskosten De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken.

5. Beslissing De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is op 11 juni 1997 vastgesteld door de vice-president R.J.J. Jansen als voorzitter en de raadsheren Van der Linde, De Moor, Van Brunschot en Meij, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Van Hooff, en op die datum in het openbaar uitgesproken.