Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:1997:AA2148

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
29-10-1997
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
32479
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BNB 1997/395
FED 1998/245 met annotatie van R.E.C.M. Niessen
WFR 1997/1614
V-N 1997/4186, 10 met annotatie van Redactie
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

gewezen op het beroep in casatie van X te Z en het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Arnhem van 4 juli 1996 betreffende de aan belanghebbende voor het jaar 1991 opgelegde aanslag inkomstenbelasting/ premie volksverzekeringen.

1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof Aan belanghebbende is voor het jaar 1991 een aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen van f 155.935,--, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd. Belanghebbende is van de uitspraak van de Inspecteur in beroep gekomen bij het Hof. Het Hof heeft die uitspraak vernietigd en de aanslag verminderd tot een, berekend naar een belastbaar inkomen van f 150.851,--. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie Belanghebbende en de Staatssecretaris van Financiën

hebben tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. De beroepschriften in cassatie zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit. Belanghebbende en de Staatssecretaris van Financiën hebben over en weer bij vertoogschrift het cassatieberoep van de wederpartij bestreden.

3. Uitgangspunten in cassatie 3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan. Belanghebbende, die in dienstbetrekking werkzaam is, maakte in 1991 voor het dagelijks reizen tussen zijn woning en de plaats van zijn werkzaamheden - een afstand van meer dan 30 km - en voor zakelijke ritten gebruik van een hem in eigendom toebehorende auto, die hij ook voor privé-doeleinden gebruikte. In totaal reed hij 42.024 km, waarvan 10.717 privé, 21.840 in het woon-werkverkeer, en 9.827 voor zakelijke doeleinden. Op basis van de autokostenregeling van zijn werkgever ontving hij een vergoeding van, na aftrek van een bedrag van f 4.950,-- wegens privé-gebruik, f 17.902,56. De werkelijke kosten bedroegen f 19.276,--, derhalve ruim f 0,45 per km. 3.2. Het Hof heeft geoordeeld dat voor de toepassing van artikel 42, lid 3, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (hierna: de Wet) ter zake van het privé-gebruik een hoger bedrag dan het bedrag van het autokostenforfait in aanmerking moet worden genomen omdat het werkelijk genoten voordeel groter was dan dat forfaitaire bedrag. Het werkelijk genoten voordeel heeft het Hof gesteld op het bedrag waarmee de genoten vergoeding het bedrag te boven gaat dat volgens de voor vergoeding van autokosten geldende regels maximaal als onbelaste vergoeding voor woon-werkverkeer en voor zakelijke doeleinden kan worden verstrekt.

4. Beoordeling van het beroep van belanghebbende 4.1. Het middel faalt voor zover het betoogt dat een forfaitaire bijtelling niet aan de orde kan komen omdat geen sprake was van een personenauto. Het Hof heeft immers kennelijk geoordeeld dat omtrent de status van de auto als personenauto tussen partijen geen geschil bestond en dat is geenszins onbegrijpelijk aangezien, zou geen sprake zijn van een personenauto, artikel 42 niet aan de orde zou komen en de berekening van de Inspecteur zonder meer juist zou zijn. 4.2. Bij de totstandkoming van de Wet van 24 december 1970, Stb. 604, bij welke wet het autokostenforfait opnieuw werd geregeld, heeft de wetgever in navolging van de voorstellen van de commissie-Hofstra (Kamerstukken II 1968/69, 10027, nr. 1) wegens de in de praktijk gebleken complicaties het autokostenforfait in de inkomstensfeer doen vervallen behoudens voor het geval dat een werknemer door zijn werkgever een auto ter beschikking is gesteld. Buiten dat geval - met name dus indien de belastingplichtige de kosten van een eigen auto vergoed krijgt - leiden in de gedachtegang van de wetgever "de normale regels omtrent aftrekbare kosten en de belastbaarheid van eventuele vergoedingen voor niet noodzakelijke kosten nl. reeds tot een bevredigende oplossing; een inkomstenfictie is hier niet nodig". (Kamerstukken II 1969/70, 10 790, nr. 3 blz. 14). In dit wettelijke systeem moeten dus bij gebruik van een auto in verband met een dienstbetrekking voor de heffing van de inkomstenbelasting twee gevallen worden onderscheiden, elk met zijn eigen regels. 4.3. Bij de beantwoording van de vraag welk van beide gevallen zich hier voordoet zijn partijen terecht ervan uitgegaan dat ook sprake kan zijn van het ter beschikking stellen van een auto, en dus van toepasselijkheid van het autokostenforfait, als het gaat om een auto in eigendom van de werknemer, met name als de werkgever alle kosten vergoedt, al dan niet onder aftrek van een bedrag voor privé-gebruik. Het Hof heeft, in cassatie onbestreden, geoordeeld dat de auto in de gegeven omstandigheden aan belanghebbende in verband met het verrichten van arbeid ter beschikking was gesteld. Dit oordeel geeft, gelet op hetgeen uit de gedingstukken blijkt omtrent de inhoud van de voor belanghebbende geldende autokostenregeling en hetgeen het Hof heeft vastgesteld omtrent de financiële gevolgen van die regeling voor het onderhavige jaar, niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting. In cassatie moet dus van de juistheid van dit oordeel worden uitgegaan. 4.4. Het Hof heeft voorts met juistheid geoordeeld dat het autokostenforfait niet een maximum stelt aan het tot de inkomsten uit arbeid te rekenen voordeel, maar slechts een waarderingsregel bevat voor het minimaal tot de inkomsten uit arbeid te rekenen voordeel. Het middel komt evenwel terecht ertegen op dat het Hof dat meerdere heeft berekend aan de hand van hetgeen zou gelden voor het geval geen sprake was van een door de werkgever ter beschikking gestelde auto maar van een auto van de werknemer waarvoor de werkgever een kostenvergoeding geeft. Immers, zoals volgt uit hetgeen onder 4.2 is overwogen, is het van tweeën één: òf er is sprake van een door de werkgever ter beschikking gestelde auto en dan gelden de regels van artikel 42 van de Wet, òf dat is niet het geval en dan gelden de normale regels omtrent aftrekbare kosten en de belastbaarheid van vergoedingen. Indien, zoals hier, zich de eerstbedoelde situatie voordoet, kan een hoger bedrag wegens privé- gebruik slechts in aanmerking worden genomen binnen het stramien van artikel 42, dat wil zeggen ingeval de Inspecteur aantoont dat de werkelijke kosten van het zuivere privé-gebruik hoger liggen dan het forfaitair als voordeel aangemerkte bedrag. De kosten van het woon- werkvervoer worden immers ingevolge artikel 42, zesde lid, geacht te zijn gemaakt ten behoeve van het verrichten van arbeid. Het middel slaagt derhalve voor zover het betoogt dat voor de berekening van het voordeel wegens privé-gebruik geen belang toekomt aan de regels voor maximaal te vergoeden kosten. 4.5. Nu sprake is van een aan de werknemer ter beschikking gestelde personenauto dient het wegens privé-gebruik in aanmerking te nemen voordeel te worden gesteld op het bedrag van het autokostenforfait (dan wel het hogere bedrag van de werkelijke kosten van het privé-gebruik), verminderd met de bijdrage van belanghebbende aan zijn werkgever wegens privé-gebruik, wordt het woon-werkvervoer aangemerkt als vervoer vanwege de werkgever, en blijft de vergoeding geheel onbelast. De andersluidende berekening van het voordeel door het Hof is niet juist, zodat de uitspraak niet in stand kan blijven. 4.6. Uit de uitspraak en de stukken van het geding blijkt niet of bij de in aanmerking te nemen catalogusprijs rekening moet worden gehouden met de inbouw van de gasinstallatie en de aanpassingen aan in- en exterieur. Verwijzing moet volgen voor een onderzoek op dit punt. 4.7. Het tweede middel, dat de proceskostenveroordeling betreft, faalt. Het Hof was niet verplicht aan belanghebbende te vragen of hij mogelijk niet uit de gedingstukken blijkende kosten voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand had gemaakt, en de tijd door belanghebbende zelf besteed aan het opstellen en lezen van de processtukken komt niet voor vergoeding in aanmerking.

5. Beoordeling van het beroep van de Staatssecretaris Uit hetgeen onder 4 is overwogen volgt dat het middel van de Staatssecretaris, dat zich richt tegen de berekening van het belastbare inkomen door het Hof op de grondslag van zijn onjuist bevonden opvatting, moet worden verworpen.

6. Proceskosten De Hoge Raad acht geen termen aanwezig een der partijen te veroordelen in de proceskosten ter zake van het geding in cassatie.

7. Beslissing De Hoge Raad: - verwerpt het beroep van de Staatssecretaris van Financiën; - vernietigt op het beroep van belanghebbende de uitspraak van het Hof, behoudens de beslissingen omtrent de proceskosten en het griffierecht; - verwijst het geding naar het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch ter verdere behandeling en beslissing van de zaak in meervoudige kamer met inachtneming van dit arrest; - gelast dat door de Staatssecretaris van Financiën aan belanghebbende wordt vergoed het door deze ter zake van het beroep in cassatie verschuldigd geworden griffierecht ten bedrage van f 300,--.

Dit arrest is op 29 oktober 1997 vastgesteld door de vice-president Stoffer als voorzitter, en de raadsheren Zuurmond en Pos, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Boorsma, en op die datum in het openbaar uitgesproken.