Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:1997:AA2147

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
29-10-1997
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
32642
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BNB 1997/403
FED 1998/3 met annotatie van J.H.M. ARTS
WFR 1997/1615
V-N 1997/4315, 12 met annotatie van Redactie
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

gewezen op het beroep in cassatie van X te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 30 augustus 1996 betreffende de aan hem voor het jaar 1993 opgelegde aanslag inkomstenbelasting/ premie volksverzekeringen.

1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof .

2. Aan belanghebbende is voor het jaar 1993 een aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen van f 83.626,--, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd.

3. Belanghebbende is van de uitspraak van de Inspecteur in beroep gekomen bij het Hof. Het Hof heeft die uitspraak bevestigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Staatssecretaris van Financiƫn heeft een vertoogschrift ingediend.

3. Beoordeling van de middelen 3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan. Belanghebbende was tot 1 mei 1991 werkzaam in de Verenigde Staten. Per 15 mei 1991 is hij gaan werken in R. Voor het overbrengen van zijn inboedel naar Nederland heeft belanghebbende in 1991 van zijn nieuwe werkgever een vergoeding van f 6000,-- ontvangen. Van mei 1991 tot en met juli 1993 heeft belanghebbende gewoond bij zijn ouders te S. Vanaf 1 augustus 1993 bewoont hij een eigen woning te Z. Aan kosten ter zake van de verhuizing naar de eigen

woning wenst hij f 11.839,68 (12% van zijn arbeidsinkomsten) in aftrek te brengen. In zijn specificatie noemt belanghebbende onder meer de posten f 193,85 "transportkosten vloer b.g.," f 210,-- "aansluitkosten telefoon" en f 750,-- "diversen (douchestang, -gordijn, -haken, pluggen, rails, huur schuurmachines, fooien)".

3.2. Het Hof heeft, ervan uitgaande dat slechts de kosten van de drie zojuist genoemde posten als aftrekbare verhuiskosten in aanmerking kunnen komen, geoordeeld dat de van de werkgever ontvangen vergoeding daaraan moet worden toegerekend. Dit oordeel geeft onvoldoende inzicht in 's Hofs gedachtegang. Indien het Hof bedoeld heeft tot uitdrukking te brengen dat belanghebbende in werkelijkheid voor het overbrengen van de inboedel geen kosten heeft gemaakt, is het Hof buiten de rechtsstrijd van partijen getreden, nu de stukken van het geding geen andere gevolgtrekking toelaten dan dat niet in geschil was dat de vergoeding ter bestrijding van zodanige kosten strekte. Indien het Hof de drie aan het slot van 3.1 genoemde kostenposten heeft aangemerkt als kosten van het overbrengen van de inboedel, is dat oordeel zonder nadere motivering, die door het Hof niet is gegeven, onbegrijpelijk. Indien het Hof tot uitdrukking heeft willen brengen dat de vergoeding die belanghebbende heeft ontvangen voor het overbrengen van

de inboedel, dient te worden verrekend met zijn overige verhuiskosten, geeft dit oordeel blijk van een onjuiste rechtsvatting (HR 28 februari 1996, nr. 29607, BNB 1996/162). Het tegen dit oordeel gerichte eerste middel slaagt derhalve.

3.3. Het Hof heeft voorts geoordeeld dat de door belanghebbende gemaakte herinrichtingskosten niet, ook niet op grond van het gelijkheidsbeginsel in aftrek kunnen worden gebracht. Het Hof heeft hiertoe redengevend geoordeeld dat de wet geen aftrek toelaat van de kosten voor de verkrijging van waardevertegenwoordigende zaken en dat ambtenaren die in dezelfde positie verkeren als belanghebbende geen recht hebben op een onbelaste verhuiskostenvergoeding. Gelet op hetgeen de Inspecteur in zijn vertoogschrift v oor het Hof heeft aangevoerd, doelt het Hof met dit laatste kennelijk op de in het Verplaatsingskostenbesluit 1989 gestelde eisen voor het verkrijgen van een tegemoetkoming overeenkomstig dat besluit, in het bijzonder de eis dat de verhuizing plaatsvindt binnen twee jaren na de indiensttreding en de eis dat de nieuwe woning ligt binnen 10 kilometer van de plaats van tewerkstelling. Dit oordeel wordt op beide onderdelen in het tweede middel terecht bestreden. De redengeving van het Hof ziet immers eraan voorbij.

dat de Resolutie van 5 januari 1994, nr. DB93/5157M, BNB 1994/63, waarop belanghebbende voor het Hof een beroep heeft gedaan, herinrichtingskosten tot de verhuiskosten rekent en wel zonder daarbij de zojuist bedoelde eisen te stellen.

3.4. De uitspraak van het Hof kan niet in stand blijven. Verwijzing moet volgen.

4. Proceskosten De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken.

5. Beslissing De Hoge Raad vernietigt de uitspraak van het Hof, verwijst het geding naar het Gerechtshof te 's-Gravenhage ter verdere behandeling en beslissing van de zaak in meervoudige kamer met inachtneming van dit arrest, gelast dat door de Staatssecretaris van Financiƫn wordt vergoed het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie verschuldigd geworden griffierecht ten bedrage van f 300,--.

Dit arrest is op 29 oktober 1997 vastgesteld door de vice-president Stoffer als voorzitter, en de raadsheren Zuurmond en Pos, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Van Boorsma, en op die datum in het openbaar uitgesproken.