Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:1997:AA2121

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
19-03-1997
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
32081
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BNB 1997/261 met annotatie van E. Aardema
FED 1997/314 met annotatie van R. RUSSO
FED 1997/210
WFR 1997/454
V-N 1997/1377, 19 met annotatie van Redactie
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

gewezen op het beroep in cassatie van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid B.V. X te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 13 februari 1995 betreffende de haar voor het jaar 1991 opgelegde aanslag in de vennootschapsbelasting.

1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof Aan belanghebbende is voor het jaar 1991 een aanslag in de vennootschapsbelasting opgelegd, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is verminderd tot een aanslag naar een belastbaar bedrag van ƒ 2.523.782,--. Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof, dat deze uitspraak heeft bevestigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De Staatssecretaris van Financiën heeft bij vertoogschrift het cassatieberoep bestreden.

3. Beoordeling van de middelen van cassatie 3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan: Belanghebbende bezat sedert 1977 het appartementsrecht betreffende een winkelcentrum, bestaande uit 39 winkelunits, te Q. De winkelunits zijn gebouwd op een perceel grond, toebehorend aan de gemeente Q, waarop een erfpachtsrecht is gevestigd tot 31 maart 2046. In augustus 1986 heeft belanghebbende een makelaar de opdracht verstrekt te bemiddelen bij de verkoop van het winkelcentrum. Bij overeenkomst van 1 juni 1989 is het winkelcentrum verkocht; de levering vond plaats in januari 1991. Op 30 december 1987 verwierf belanghebbende het zakelijk recht van vruchtgebruik voor een periode van 30 jaar van 31 woonhuizen te R.

3.2. Voor het Hof was tussen partijen in geschil of belanghebbende de in 1991 met de verkoop van het winkelcentrum te Q behaalde boekwinst op de voet van artikel 14 van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (hierna: de Wet) tot een bedrag van ƒ 2.098.582,-- mag afboeken op de koopprijs van het in 1987 verworven recht van vruchtgebruik op de woningen in R.

3.3. Het Hof heeft geoordeeld dat - nu het recht van vruchtgebruik naar 's Hofs oordeel kan worden aangemerkt als een onlichamelijke zaak en tussen partijen niet in geschil is dat dit recht ter belegging wordt gehouden - de door belanghebbende voorgestane afboeking niet kan plaatsvinden, aangezien onlichamelijke zaken die ter belegging worden aangehouden, op grond van artikel 14, lid 3, van de Wet (tekst tot 1 september 1991), voor de toepassing van artikel 14 van de Wet niet tot de bedrijfsmiddelen worden gerekend. Dit oordeel is juist. In de in middel II geciteerde passage uit de wetsgeschiedenis worden effecten slechts als voorbeeld van onlichamelijke zaken genoemd. Het middel, dat zich tegen dit oordeel richt, faalt derhalve.

3.4. Nu 's Hofs beslissing volledig wordt gedragen door het hiervóór in 3.3 juist bevonden oordeel van het Hof, behoeft middel I, dat zich richt tegen 's Hofs oordeel dat tussen het verworven recht van vruchtgebruik en het vervreemde appartementsrecht in economisch opzicht zodanige verschillen bestaan dat afboeking van de vervreemdingswinst op de boekwaarde van het recht van vruchtgebruik niet is geoorloofd, geen behandeling.

4. Proceskosten De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken.

5. Beslissing De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is op 19 maart 1997 vastgesteld door de vice-president R.J.J. Jansen als voorzitter, en de raadsheren Van der Linde, Bellaart, Van der Putt-Lauwers en Van Brunschot, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Van Hooff, en op die datum in het openbaar uitgesproken.