Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:1997:AA2114

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
19-03-1997
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
31911
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wet op de vennootschapsbelasting 1969 8
Wet op de vennootschapsbelasting 1969 10
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

gewezen op het beroep in cassatie van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid X B.V. te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 31 augustus 1995 betreffende de haar voor het boekjaar 1984/1985 opgelegde aanslag in de vennootschapsbelasting.

1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof Aan belanghebbende is voor het boekjaar 1984/1985 een aanslag in de vennootschapsbelasting opgelegd naar een belastbaar bedrag van ƒ 213.770,--, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd. Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof, dat deze uitspraak heeft bevestigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De Staatssecretaris van Financiën heeft bij vertoogschrift het cassatieberoep bestreden.

3. Beoordeling van de middelen van cassatie 3.1. Middel I strekt ten betoge dat het Hof ten onrechte, althans op gronden die de beslissing niet kunnen dragen, heeft beslist dat voor wat betreft het bij belanghebbende in gebruik zijnde pand te S geen hoger afschrijvingspercentage dan 2 per jaar in aanmerking kan worden genomen. Het onderhavige pand is tijdens het boekjaar 1983/1984 door belanghebbende aangekocht voor ƒ 2.722.493,--, waarna het door belanghebbende is verbouwd en tot winkel ingericht. Met de verbouwing en inrichting was tot en met 4 mei 1984 een bedrag van ƒ 1.635.250,-- gemoeid.

3.2. Het Hof heeft dienaangaande geoordeeld: dat, indien een belastingplichtige die een pand koopt en daaraan werkzaamheden laat verrichten om het in de staat te brengen, waarin hij het voor zijn onderneming wil gebruiken, de kosten van die werkzaamheden, onverschillig of deze voor het onderhoud dan wel ter verbetering van het pand zijn verricht, deel uitmaken van de aanschaffingskosten van het pand en tezamen met de met de aankoop gemoeide kosten moeten worden geactiveerd; dat zulks in het onderhavige geval niet anders is; dat de Inspecteur onweersproken heeft gesteld dat de verbouwing onmiddellijk is gevolgd op de aankoop van het pand; dat aan dat oordeel niet afdoet dat de verbouwingskosten deels betrekking hebben op de inrichting van het pand tot winkel; dat een en ander meebrengt dat voor de aanschaffingskosten en verbouwingskosten hetzelfde, op de gehele onroerende zaak toepasselijke, afschrijvingspercenta- ge geldt; dat belanghebbende onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt waarom in dit geval een hoger percentage dan 2 in aanmerking zou moeten worden genomen; dat de enkele stelling dat de inrichting sneller veroudert dan de opstal zelf, daartoe niet voldoende is, evenmin als de omstandigheid dat de verkoopwaarde van het pand in 1994 op ƒ 3.500.000,-- is getaxeerd.

3.3. Indien een belastingplichtige bij aankoop van een pand daaraan verbouwingswerkzaamheden doet verrichten, teneinde het in de staat te brengen, waarin hij het voor zijn bedrijf wil gebruiken, moeten de met die werkzaamheden gemoeide kosten - als deel uitmakende van de aanschaffingskosten van het pand - in beginsel tezamen met de aankoopkosten van het pand worden geactiveerd, terwijl op het totaalbedrag van de aanschaffingskosten dan de in artikel 10 van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 bedoelde jaarlijkse afschrijving dient te worden toegepast. Goed koopmansgebruik verzet zich echter niet ertegen dat op onderdelen van een pand, die voldoende zelfstandigheid bezitten en die een van het pand afwijkende levensduur hebben, apart wordt afgeschreven, zoals het geval kan zijn met de in het middel genoemde pui, lichtreclame, indeling en vloerbedekking, doch niet het geval is met het schilderwerk. Zulks heeft het Hof met zijn hiervóór in 3.2 vermelde oordelen miskend. Mitsdien treft middel I doel.

3.4. Middel II richt zich in de eerste plaats tegen 's Hofs beslissing met betrekking tot de door de Inspecteur in het onderhavige boekjaar toegepaste correctie van de reis-, verblijf- en representatie- kosten, welke beslissing inhoudt - kort gezegd - dat ter zake van deze kosten sprake is van een uitdeling van winst door belanghebbende, waarvan belanghebbende en haar directeurgroot aandeelhouder B zich bewust moeten zijn geweest.

3.5. Het Hof heeft dienaangaande geoordeeld dat de omstandigheid dat het onderzoek van de Rijksaccountantsdienst was gericht op het boekjaar 1986/1987 niet in de weg staat aan een overeenkomstige correctie in het onderhavige boekjaar, en dat het aannemelijk acht dat de omvang en het patroon van de reis-, verblijf- en representatiekosten in het onderhavige boekjaar overeenkwamen met die in het boekjaar 1986/1987. Dit oordeel geeft, anders dan middel II kennelijk betoogt, niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting, en kan, als verweven met waarderingen van feitelijke aard, voor het overige in cassatie niet op zijn juistheid worden getoetst. Het is ook niet onbegrijpelijk. In zoverre kan middel II derhalve niet tot cassatie leiden.

3.6. Middel II keert zich voor het overige tegen 's Hofs - in punt 5.5 van zijn uitspraak vermelde - beslissing betreffende de omvang van de te verrekenen verliezen. Het middel faalt echter ook in zoverre op de hiervóór in 3.5 vermelde gronden.

3.7. Gezien het hiervóór in 3.3 overwogene kan 's Hofs uitspraak niet in stand blijven. Verwijzing moet volgen. 4. Proceskosten Gelet op de kostenveroordeling in de samenhangende zaak onder nummer 31.912 is voor een afzonderlijke kostenveroordeling in de onderhavige zaak geen plaats.

5. Beslissing De Hoge Raad: vernietigt de uitspraak van het Hof; verwijst het geding naar het Gerechtshof te 's-Gravenhage ter verdere behandeling en beslissing van de zaak in meervoudige kamer met inachtneming van dit arrest; gelast dat door de Staatssecretaris van Financiën aan belanghebbende wordt vergoed het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie verschuldigd geworden griffierecht ten bedrage van ƒ 300,--.

Dit arrest is op 19 maart 1997 vastgesteld door de vice-president R.J.J. Jansen als voorzitter, en de raadsheren Bellaart, Van der Putt-Lauwers, Van Brunschot en Meij, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Van Hooff, en op die datum in het openbaar uitgesproken.