Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:1997:AA2107

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
24-09-1997
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
32208
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BNB 1997/352
WFR 1997/1443, 1
V-N 1997/3554, 18 met annotatie van Redactie
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

gewezen op het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën tegen de uitspraak van het Ge rechtshof te Arnhem van 15 maart 1996 betreffende de aan X te Z voor het jaar 1992 opgelegde aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.

1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof Aan belanghebbende is voor het jaar 1992 een aan slag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen van ƒ 80.710,--, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd. Belanghebbende is van de uitspraak van de Inspecteur in beroep gekomen bij het Hof. Het Hof heeft die uitspraak vernietigd en de aanslag verminderd tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen van ƒ 74.103,--. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie De Staatssecretaris van Financiën heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest ge hecht en maakt daarvan deel uit.

3. Beoordeling van de middelen 3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan. Belanghebbende woonde in 1992 in Neder land. In de periode van 28 september 1992 tot en met 29 september 1993 is belanghebbende als majoor van de verbindingsdienst bij de Koninklijke Landmacht in dienst van het Ministerie van Defensie uitgezonden naar voormalig Joegoslavië (Kroatië). Zijn woonplaats bleef in deze periode in Nederland, waar zijn gezin ook feitelijk bleef wonen. In verband met zijn uit zending genoot belanghebbende, naast zijn wedde, een (onbelaste) onkostenvergoeding van ƒ 4.392,-- en een (belaste) vergoeding "Afkoop extra beslaglegging VN" van ƒ 5.693,45. 3.2. Het eerste middel, dat opkomt tegen het oordeel van het Hof dat belanghebbende op grond van het gelijkheidsbeginsel aanspraak kan maken op overeenkomstige toepassing van de Resolutie van de Staatssecretaris van Financiën van 6 mei 1992, nr. IFZ 92-016, gepubliceerd in BNB 1992/226 (hierna: de Nedeco-regeling), kan niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gelet op artikel 101a van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling (HR 9 april 1997, nr. 32087, BNB 1997/188). 3.3. Het tweede middel betoogt in de eerste plaats dat ten onrechte de belaste vergoeding, welke belanghebbende heeft ontvangen onder de benaming "Afkoop extra beslaglegging VN" tweemaal in de grondslag voor de berekening van de forfaitaire aftrek is begrepen. De gedingstukken laten geen andere gevolg trekking toe dan dat deze vergoeding in het door belanghebbende ontvangen loon uit dienstbetrekking is begrepen, zodat het middel in zoverre gegrond is. Nu deze belaste vergoeding werd toegekend over de periode van uitzending dient voor de berekening van de forfaitaire-aftrek het jaarloon uit dienstbetrekking, verminderd met de belaste vergoeding, te worden herrekend naar het loon over de periode van uitzending en vervolgens de aftrek van 35% te worden berekend over het aldus herrekende loon over de periode van uitzending vermeerderd met de belaste vergoeding. 3.4. Het tweede middel klaagt er voorts over dat ten onrechte geen bijtelling bij het belastbaar inkomen is geschied voor de verstrekte huisvesting en voeding volgens de normbedragen als bedoeld in artikel 11, lid 1, onderdeel b, van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 1990. Deze klacht is eveneens gegrond. Het Hof heeft feitelijk vastgesteld dat aan belang hebbende kosteloos huisvesting en voeding is verstrekt. Het Hof heeft deze huisvesting en voeding met juistheid met inachtneming van vorenbedoelde normbedragen in aanmerking genomen bij de bepaling van de beloning voor de berekening van de forfaitaire aftrek onder de Nedeco-regeling. Toepassing van de Nedeco-regeling leidt ertoe dat ditzelfde normbedrag in aanmerking wordt genomen voor de bepaling van het belastbaar inkomen van belanghebbende. 3.5. Gelet op het overwogene onder 3.3 en 3.4 kan 's Hofs uitspraak niet in stand blijven. De Hoge Raad kan de zaak afdoen. De forfaitaire aftrek onder de Nedeco-regeling wordt als volgt berekend:

Loon ter zake van de uitzending: 95/366 x (82.236 -/- 5.693=) 76.543 19.868 Bij: ontvangen (onbelaste) vergoeding 4.392 huisvesting en voeding 2.408 belaste vergoedingen 5.693

32.361 Af: overhevelingstoeslag 2.390 Loon voor toepassing regeling 29.971

De aftrek op grond van de Nedeco-regeling bedraagt dan: 35% x ƒ 29.971 = ƒ 10.490,--.

Het belastbaar inkomen bedraagt alsdan:

Loon uit dienstbetrekking 82.236 Bij: ontvangen vergoeding 4.392 huisvesting en voeding 2.408 89.036 Af: aftrek Nedeco-regeling 10.490 arbeidskostenforfait 1.518 12.008 77.028

4. Proceskosten De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken. 5. Beslissing De Hoge Raad vernietigt de uitspraak van het Hof behoudens de beslissingen omtrent het griffierecht en de proceskosten, vernietigt de uitspraak van de Inspecteur, en vermindert de aanslag tot een berekend naar een belastbaar inkomen van ƒ 77.028,--.

Dit arrest is op 24 september 1997 vastgesteld door de vice-president Stoffer als voorzitter, en de raadsheren Pos en Beukenhorst, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Barendse, en op die datum in het openbaar uitgesproken.