Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:1997:AA2077

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
29-01-1997
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
31938
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BNB 1997/104
FED 1997/90
WFR 1997/196, 1
V-N 1997/745, 16

Uitspraak

gewezen op het beroep in cassatie van X te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 9 november 1995 betreffende de hem voor het jaar 1990 opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.

1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof Aan belanghebbende is voor het jaar 1990 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is verminderd tot een aanslag naar een belastbaar inkomen van ƒ 120.475,--. Bij beschikking van 29 juli 1994 heeft de Inspecteur de aanslag ambtshalve verder verminderd tot een aanslag naar een belastbaar inkomen van ƒ 120.475,--, waarvan ƒ 67.820,-- belast naar het tarief van artikel 57 van de Wet op de Inkomstenbelasting 1964 (tekst 1990; hierna de Wet). Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof, dat deze uitspraak heeft bevestigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht. 2. Geding in cassatie Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De Staatssecretaris van Financiën heeft bij vertoogschrift het cassatieberoep bestreden.

3. Beoordeling van de middelen van cassatie 3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan: Belanghebbende heeft met ingang van 1 mei 1990 zijn veehouderij gestaakt. De tot het ondernemingsvermogen behorende onroerende zaken - bestaande uit circa 12ha. weiland en een aantal opstallen (een zogenoemde stolpboerderij met een woon- en een bedrijfsgedeelte, een stenen schuur en een houten loods; hierna: de opstallen) met ondergrond - heeft hij naar zijn privé-vermogen overgebracht. Belanghebbende is de boerderij, de overige opstallen en de gronden blijven gebruiken. De Inspecteur heeft, op een daartoe strekkend verzoek van belanghebbende van 30 december 1991, bij beschikking van 31 maart 1993, die onherroepelijk is komen vast te staan, de bestemmingswijzigingswinst per 31 maart 1986 van circa 2000 m? erf, ondergrond en tuin vastgesteld op ƒ 76.600,--. Hij is daarbij uitgegaan van een waarde in het economische verkeer van die gronden van ƒ 119.600,-- en een waarde in het economische verkeer bij agrarische bestemming daarvan van ƒ 43.000,--. Zowel belanghebbende als de Inspecteur hebben - respectievelijk door A, makelaar te Q, en B, taxateur bij de belastingdienst, - een taxatie van de opstallen met ondergrond laten verrichten.

3.2. Voor het Hof was tussen partijen in de eerste plaats in geschil of, nu belanghebbende per 1 mei 1990 de voordien tot zijn ondernemingsvermogen behorende onroerende zaken naar zijn privé-vermogen had overgebracht, ervan moet worden uitgegaan dat de ondergrond van de opstallen voortaan buiten het kader van de uitoefening van een landbouwbedrijf zal worden aangewend, als bedoeld in artikel 8, lid 1, letter b, van de Wet, welke vraag belanghebbende ontkennend en de Inspecteur bevestigend heeft beantwoord. Voor het geval het gelijk aan de Inspecteur zou zijn, was voorts in geschil tot welk bedrag op 1 mei 1990 sprake was van een - op de voet van voormelde bepaling - tot belanghebbendes stakingswinst te rekenen waardeverandering van de ondergrond van de opstallen.

3.3. Het Hof heeft geoordeeld: dat met de staking van de onderneming een einde is gekomen aan de bedrijfsactiviteiten en dat de opstallen vanaf dat moment aangewend werden voor bewoning door belanghebbende en voor de uitoefening van zijn hobby; dat het gebruik van de opstallen dan ook geen relatie meer had met enige bedrijfsmatige exploitatie van gronden en de opstallen dan ook zonder enige beperking in gebruik genomen zouden kunnen worden voor andere doeleinden; dat daarmee vaststaat dat ook de ondergrond van de opstallen voortaan buiten het kader van de uitoefening van het landbouwbedrijf zal worden aangewend; dat de wettekst noch de wetsgeschiedenis steun geven aan de opvatting van belanghebbendes gemachtigde dat een mogelijke aanwending buiten het landbouwbedrijf uitsluitend denkbaar is in de situatie dat het bestemmingsplan met betrekking tot het gebruik van de grond gewijzigd wordt. Tegen deze oordelen keert zich middel 2.

3.4. Tot 1 april 1986 was in artikel 8, aanhef en letter b, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 - de zogenoemde landbouwvrijstelling - bepaald dat niet tot de winst behoren de voordelen uit landbouwbedrijf ter zake van - onder meer - de waardeverandering van de ondergrond van gebouwen. Bij de Wet van 27 maart 1986, Stbl. 135, is deze vrijstelling met ingang van 1 april 1986 in zoverre beperkt, dat daarvan is uitgezonderd de waardeverandering die verband houdt met de omstandigheid dat de grond voortaan of waarschijnlijk binnenkort buiten het kader van de uitoefening van een landbouwbedrijf zal worden aangewend. Blijkens de parlementaire geschiedenis van het ontwerp dat tot vorenvermelde wetswijziging heeft geleid, (Memorie van Toelichting, Kamerstukken II 1984/85, 18 915, nr. 3, blz. 7 en 8 en Memorie van Antwoord, Kamerstukken II 1984/85, 18 915, nr. 5, blz. 5) strekte deze wijziging ertoe waardeveranderingen die zijn toe te rekenen aan een bestemmingswijziging doordat de grond voortaan buiten de agrarische sfeer wordt of binnenkort zal worden aangewend voortaan wel tot de belastbare winst te rekenen, en kan bij de te belasten bestemmingswijzigingswinst worden gedacht aan situaties waarin landbouwgrond wordt verkocht ten behoeve van de aanleg van industrieterreinen, voor woningbouw of als recreatiegebied. 3.5. Naar uit voormelde parlementaire geschiedenis blijkt, en in de Wet tot uitdrukking is gebracht door het woord "voortaan", heeft de Wet met de zondering op de voorheen geldende vrijstelling het oog op de waardeverandering van zaken waarvan de aanwending wordt gewijzigd, in het bijzonder in deze zin dat zij voortaan, in afwijking van het gebruik waarvoor zij tot dusver dienden, zullen worden gebezigd voor doeleinden als zijn genoemd in de vorenvermelde passages uit de Memorie van Toelichting en de Memorie van Antwoord.

3.6. Zoals reeds is overwogen in het arrest van de Hoge Raad van 8 juli 1996, BNB 1996/311, heeft hieromtrent het volgende te gelden. Indien een belastingplichtige een door hem uitgeoefend landbouwbedrijf staakt, doch de door hem bewoonde, voordien tot het vermogen van het landbouwbedrijf gerekende woning blijft bewonen, kan bezwaarlijk worden gezegd dat die woning, op de enkele grond dat de bewoner de uitoefening van zijn bedrijf heeft beëindigd, een andere aanwending heeft gekregen. Voorts is in zodanig geval geen sprake van een nieuwe bestemming van de grond voor de in voormelde parlementaire stukken vermelde of daarmee overeenkomende doeleinden. Een en ander leidt tot de gevolgtrekking dat het niet in overeenstemming is met de tekst en de strekking van artikel 8, lid 1, aanhef en letter b, van de Wet om de waardeverandering van de ondergrond van een tot het vermogen van een landbouwbedrijf behorende woning tot de winst te rekenen op de enkele grond dat de onderneming wordt gestaakt en de woning dientengevolge tot het privé-vermogen van de belastingplichtige gaat behoren. 3.7. Voor zover het de ondergrond van het woongedeelte van de stolpboerderij betreft, is het middel derhalve gegrond, daar van een verandering in de aanwending van deze grond, als bedoeld in artikel 8, lid 1, letter b, van de Wet geen sprake was. Voor zover het betreft de ondergrond van het voormalige bedrijfsgedeelte van de stolpboerderij en van de overige opstallen, treft het middel evenwel geen doel, aangezien deze opstallen, naar in hetgeen het Hof heeft vastgesteld besloten ligt, in voorgaande jaren feitelijk werden aangewend voor de uitoefening van belanghebbende landbouwbedrijf, en de beëindiging van dat bedrijf meebrengt dat zij voortaan niet meer aldus zullen worden aangewend.

3.8. Blijkens hetgeen het Hof in 5.4 van zijn uitspraak heeft overwogen is het terecht ervan uitgegaan dat, indien en voor zover te dezen op 1 mei 1990 sprake was van een waardeverandering van gronden verband houdend met de omstandigheid dat de ondergrond van de opstallen voortaan buiten het kader van het landbouwbedrijf zal worden gebruikt, deze waardeverandering, met inachtneming van de hiervóór in 3.1. vermelde bestemmingswijzigingswinst, in belanghebbendes stakingwinst dient te worden begrepen.

3.9. Ten aanzien van de in het onderhavige geval op de voet van het hiervóór in 3.8 overwogene in aanmerking te nemen waardeverandering van gronden heeft het Hof geoordeeld: dat B, in tegenstelling tot A, heeft aangegeven wat de waarde in het economische verkeer dan wel de waarde in het economische verkeer bij agrarische bestemming van de ondergrond van de opstallen is, en belanghebbendes gemachtigde de door B genoemde waarde in het economische verkeer voor de grond acceptabel acht, ondanks het verschil met de uitkomst van de taxatie van A; dat het gelet op die omstandigheden de door B genoemde waarden meer aannemelijk acht dan die van A. Bij deze oordelen is het Hof kennelijk en terecht ervan uitgegaan dat onder de waarde in het economische verkeer bij agrarische bestemming van de ondergrond van de opstallen dient te worden verstaan de waarde in het economische verkeer van de ondergrond bij voortzetting van de aanwending van de opstallen in het kader van de uitoefening van een landbouwbedrijf. Anders dan middel 1 betoogt, staat aan een dergelijke (hypothetische) waardebepaling niet in de weg de omstandigheid dat de betreffende opstallen en daarmee vergelijkbare, in dezelfde gemeente gelegen opstallen ook buiten het kader van de uitoefening van een landbouwbedrijf mogen worden aangewend. Middel 1 kan derhalve niet tot cassatie leiden.

3.10. Het hiervóór in 3.7 overwogene brengt mee dat 's Hofs uitspraak niet in stand kan blijven. Verwijzing moet volgen.

4. Proceskosten De Hoge Raad acht termen aanwezig om ten aanzien van de proceskosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het geding in cassatie redelijkerwijs heeft moeten maken, te beslissen als hierna zal worden vermeld.

5. Beslissing. De Hoge Raad vernietigt de uitspraak van het Hof, verwijst het geding naar het Gerechtshof te 's-Gravenhage ter verdere behandeling en beslissing van de zaak in meervoudige kamer met inachtneming van dit arrest, gelast dat door de Staatssecretaris van Financiën aan belanghebbende wordt vergoed het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie verschuldigd geworden griffierecht ten bedrage van ƒ 300,--, en veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op ƒ 1.420,-- voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Dit arrest is op 29 januari 1997 vastgesteld door de raadsheer Van der Putt-Lauwers als voorzitter, en de raadsheren Van Bruncht en Meij, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Van Hooff, en op die datum in het openbaar uitgesproken.