Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:1996:ZC2229

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
13-12-1996
Datum publicatie
24-11-2020
Zaaknummer
8778
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:1996:26, Gevolgd
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Beschikking
Inhoudsindicatie

Art. 35 Wet Bopz; toekenning van schadevergoeding naar billijkheid; immateriële schade; art. 6:106 BW.

Wetsverwijzingen
Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen 35
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 429k
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJ 1997, 682 met annotatie van J. de Boer
RvdW 1997, 1
PS-Updates.nl 2020-0885
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

13 december 1996

Eerste Kamer

Rek.nr. 8778 (R95/151HR)

CS

Hoge Raad der Nederlanden

Beschikking

in de zaak van:

[betrokkene],

wonende te [woonplaats],

VERZOEKER tot cassatie,

advocaat: mr G.E.M. Later,

t e g e n

DE STAAT DER NEDERLANDEN,

gevestigd te ‘s-Gravenhage,

VERWEERDER in cassatie,

advocaat: mr J.L. de Wijkerslooth.

1. Het geding in feitelijke instanties

Met een op 8 december 1994 gedateerd verzoekschrift heeft verzoeker tot cassatie — verder te noemen: de betrokkene — zich gewend tot de Rechtbank te Roermond met het verzoek verweerder in cassatie — verder te noemen: de Staat — te veroordelen om aan de betrokkene ƒ 5.286,75 ter zake van materiële schade en ƒ 12.000,-- ter zake van immateriële schade te betalen.

De Staat heeft het verzoek bestreden.

Bij beschikking van 27 april 1995 heeft de Rechtbank aan de betrokkene ten laste van de Staat een vergoeding van ƒ 1.486,25 toegekend.

Tegen deze beschikking heeft de betrokkene hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch en verzocht het aan hem ten laste van de Staat toe te kennen bedrag te bepalen op ƒ 15.950,--.

Bij beschikking van 5 oktober 1995 heeft het Hof voormelde beschikking van de Rechtbank bekrachtigd.

De beschikking van het Hof is aan deze beschikking gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen de beschikking van het Hof heeft de betrokkene beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Staat heeft verzocht het beroep te verwerpen.

De conclusie van de Advocaat-Generaal Hartkamp strekt tot verwerping van het beroep.

3. Beoordeling van het middel

3.1 In cassatie moet van het volgende worden uitgegaan:

(i) De Rechtbank te Roermond heeft bij beschikking van 25 februari 1994 ten aanzien van de betrokkene op de voet van art. 15 Bopz machtiging tot voortgezet verblijf in een psychiatrisch ziekenhuis verleend voor de duur van twaalf maanden, ingaande op de dag van de beschikking en eindigende op 25 februari 1995. De Hoge Raad heeft deze beschikking vernietigd bij beschikking van 1 juli 1994 en de zaak ter verdere behandeling en beslissing naar voormelde rechtbank verwezen.

(ii) Op 26 juli 1994 heeft deze rechtbank opnieuw ten aanzien van de betrokkene een machtiging tot voortgezet verblijf verleend, ingaande 25 februari 1994 en eindigende 25 februari 1995.

(iii) Bij beschikking van 28 oktober 1994 heeft de Hoge Raad ook deze beschikking vernietigd en de zaak wederom ter verdere behandeling en beslissing naar de voormelde rechtbank verwezen. De Hoge Raad heeft deze vernietiging gegrond op onder meer schending door de rechtbank van de voorschriften van art. 8 lid 1 in verbinding met art. 17 lid 1 Bopz.

(iv) De voormelde rechtbank heeft bij beschikking van 23 november 1994 wederom ten aanzien van de betrokkene machtiging tot voortgezet verblijf verleend.

(v) In de onderhavige zaak heeft de betrokkene op de voet van art. 35 Bopz verzocht hem een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding ten laste van de Staat toe te kennen, zulks op de grond dat hij door de hiervoor onder (iii) bedoelde schending van art. 8 lid 1 in verbinding met art. 17 lid 1 Bopz nadeel heeft geleden.

(vi) Voor zover thans nog van belang, heeft de betrokkene met betrekking tot dit nadeel aangevoerd:

a. dat hij immateriële schade heeft geleden doordat hij in de periode van 26 juli 1994 tot 23 november 1994 in het onzekere heeft verkeerd omtrent de rechtmatigheid van zijn gedwongen verblijf in een psychiatrisch ziekenhuis, waardoor bij hem toen spanningen en frustraties zijn ontstaan, en dat deze schade op ƒ 100,-- per dag moet worden gesteld, nu hier aansluiting moet worden gezocht bij art. 89 Sv. en dit bedrag bij de toepassing van dat artikel gebruikelijk is;

b. dat hij recht heeft op vergoeding van de volledige kosten van zijn advocaat ter zake van diens werkzaamheden voor de procedure ter verkrijging van schadevergoeding op grond van art. 35 Bopz.

3.2 De Rechtbank heeft tot uitgangspunt genomen dat een schending als hiervoor bedoeld in 3.1 onder (iii) heeft plaatsgevonden en dat dientengevolge onderzocht dient te worden of de betrokkene inderdaad het door hem gestelde nadeel heeft geleden. De Rechtbank heeft vervolgens geoordeeld dat door de betrokkene immateriële schade is geleden, waarvoor de Rechtbank ƒ 500,-- heeft toegekend. Voorts heeft de Rechtbank geoordeeld dat ‘’de redelijke kosten’’ voor de behandeling van het verzoek door de advocaat van de betrokkene op ƒ 750,--, exclusief BTW, moeten worden gesteld.

Het Hof heeft de tegen deze oordelen gerichte grieven verworpen en voorts geen vergoeding voor advocatenkosten in hoger beroep vastgesteld.

3.3 De eerste twee onderdelen van het middel richten zich tegen 's Hofs oordeel ter zake van de immateriële schade.

Voorop moet worden gesteld dat bij de toekenning ‘’naar billijkheid’’ van schadevergoeding op de voet van art. 35 Bopz de rechter niet gebonden is aan de grenzen voor de toekenning van vergoeding van ander nadeel dan vermogensschade, vervat in art. 6:106 BW. Zulks vloeit voort uit de strekking van art. 35, waarmee mede beoogd is te voldoen aan art. 5 lid 5 EVRM, dat bepaalt dat een ieder die het slachtoffer is geweest van een detentie in strijd met de bepalingen van art. 5 leden 1-4 EVRM recht heeft op schadeloosstelling, en waarvan moet worden aangenomen dat het tenminste recht geeft op een billijke genoegdoening als bedoeld in art. 50 EVRM. Dit brengt mee dat, daargelaten of art. 6:106 BW dit zou toelaten, in elk geval op de voet van art. 35 Bopz een vergoeding kan worden toegekend ter zake van het nadeel, bestaande in het gedurende een bepaalde periode in onzekerheid verkeren als in het verzoek van de betrokkene bedoeld, waardoor in die periode spanningen en frustraties zijn ontstaan.

De vaststelling van het bedrag van een dergelijke vergoeding dient te geschieden met inachtneming van de algemene regels betreffende de begroting van schade. Deze begroting dient, in de bewoordingen van art. 6:97 BW, plaats te vinden op de wijze die het meest met de aard van de schade in overeenstemming is. Daarbij is van belang dat het hier gaat om een genoegdoening ter zake van het in de hiervoor bedoelde periode in onzekerheid verkeren en de daaruit voortvloeiende spanningen en frustraties. Een hierop gerichte vergoeding laat zich slechts intuïtief schatten en een dergelijke schatting behoeft in beginsel geen nadere motivering. Ook gelden hier niet de gewone regels van stelplicht en bewijslast.

Vergelijking met wat gebruikelijk is bij de toepassing van art. 89 Sv., kan daarbij niet als richtlijn dienen. Deze bepaling richt zich immers, voor zover hier van belang, op vergoeding van de schade die het gevolg is van een achteraf onjuist gebleken toepassing van voorlopige hechtenis. In een geval als het onderhavige gaat het echter niet om een vrijheidsbeneming die achteraf bezien niet had behoren plaats te vinden of die langer heeft geduurd dan zonder schending van de betrokken voorschriften zou zijn geschied, maar om de door de betrokkene aan zijn verzoek ten grondslag gelegde stelling dat hij gedurende een bepaalde periode in onzekerheid heeft verkeerd over wat in het verzoek is aangeduid als ‘’de rechtmatigheid’’ van zijn vrijheidsbeneming, waarmee kennelijk is bedoeld de onzekerheid omtrent de vraag of de rechter de gevorderde machtiging tot voortgezet verblijf uiteindelijk al of niet zou verlenen, welke verlening uiteindelijk wèl heeft plaatsgevonden. Daarbij verdient aantekening dat niet gezegd kan worden dat de schending van de betrokken voorschriften tot gevolg heeft gehad dat de vrijheidsbeneming van de betrokkene niet rechtmatig was, nu de vordering ter zake van deze machtiging klaarblijkelijk is ingesteld voordat de geldigheidsduur van de voorafgaande machtiging was verstreken en uit de strekking van art. 48 lid 1 onder b in verbinding met lid 2 Bopz volgt dat het gedwongen verblijf van de betrokkene in het psychiatrisch ziekenhuis dan op grondslag van de voorafgaande machtiging wordt voortgezet zolang zulks voor het onderzoek door de rechter ter zake van de gevorderde aansluitende machtiging noodzakelijk is (vgl. HR 28 oktober 1994, NJ 1995, 125, rov. 3.5, en 4 november 1994, NJ 1995, 126, rov. 3.7).

Voorts dient er rekening mee te worden gehouden dat in het enkele feit dat de rechter vaststelt dat inderdaad van een schending van de betrokken voorschriften sprake is geweest, reeds een zekere genoegdoening is gelegen, zoals ook uitgangspunt is van de rechtspraak van het EHRM op grondslag van art. 50 EVRM (Brogan e.a., 30 mei 1989, serie A no. 152–B, blz 45, par. 9; B.v.Austria, 28 maart 1990, serie A no. 175, blz 20, par. 59; Wassink, 27 september 1990, serie A no. 185A, NJ 1991, 625, par. 41).

Uit het voorgaande vloeit voort dat het in de onderdelen bestreden oordeel van het Hof geen blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting en dat dit oordeel in het licht van hetgeen door de betrokkene was aangevoerd, geen nadere motivering behoefde. Voor zover de onderdelen aanvoeren dat het Hof heeft miskend dat de betrokkene onweersproken heeft gesteld dat bij hem in de voormelde periode van onzekerheid spanningen en frustraties zijn ontstaan, mist het feitelijke grondslag; het Hof heeft integendeel geoordeeld dat de gestelde spanningen en frustraties geen hogere vergoeding rechtvaardigen dan door de Rechtbank was toegekend.

Alle klachten van de onderdelen stuiten op een en ander af.

3.4 Onderdeel 3 heeft betrekking op de advocatenkosten, gemaakt ter zake van de behandeling van het onderhavige, op art. 35 Bopz gegronde verzoek. Het onderdeel faalt reeds, omdat er geen reden is om in de onderhavige verzoekschriftprocedure bij de toekenning van proceskosten aan de verzoeker af te wijken van de maatstaven die ter zake van de toekenning van proceskosten in verzoekschriftprocedures in het algemeen gelden. Het onderdeel voert niet aan dat het Hof in strijd met deze maatstaven is gekomen.

4. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Deze beschikking is gegeven door de vice-president Snijders als voorzitter en de raadsheren Korthals Altes, Heemskerk, Jansen en De Savornin Lohman, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer Heemskerk op 13 december 1996.