Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:1996:ZC2142

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
20-09-1996
Datum publicatie
06-05-2020
Zaaknummer
16027
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:1996:17
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Arbeidsongeval werknemer. Bewuste roekeloosheid. Art. 1638x lid 2 BW. Causaal verband. Bewijslast.

Werkgever is gehouden tot vergoeding van schade die werknemer heeft geleden als gevolg van bedrijfsongeval tijdens werk, tenzij door werkgever het bewijs wordt geleverd dat die schade in belangrijke mate mede aan opzet of bewuste roekeloosheid van werknemer zou zijn te wijten (HR 27 maart 1992, NJ 1992, 496).

Indien werknemer zich tijdens het verrichten van zijn onmiddellijk aan het ongeval voorafgaande gedraging van het roekeloos karakter van die gedraging daadwerkelijk bewust is, is pas sprake van bewust roekeloos handelen. De omstandigheid dat werknemer is gewaarschuwd voor dat handelen, is hiervoor niet voldoende, waarbij moet worden bedacht dat art. 1638x lid 2 BW juist ertoe strekt werknemer te beschermen door rekening te houden met het ervaringsfeit dat, kort gezegd, het dagelijks verkeren in een bepaalde werksituatie tot een vermindering van de ter voorkoming van ongelukken raadzame voorzichtigheid leidt (HR 27 juni 1975, NJ 1976, 81 en HR 9 januari 1987, NJ 1987, 948).

Indien werkgever in zijn verplichting tot het treffen van voldoende veiligheidsmaatregelen is tekortgeschoten, moet causaal verband tussen dit tekortschieten en het ongeval aanwezig worden geacht, tenzij werkgever zou aantonen dat de veiligheidsmaatregelen die redelijkerwijs van hem konden worden gevergd, het ongeval niet zouden hebben voorkomen (vgl. HR 22 maart 1991, NJ 1991, 420).

Werknemer heeft jegens werkgever geen enkele aanspraak op schadevergoeding, indien komt vast te staan dat het ongeval van werknemer ‘in belangrijke mate’ aan bewuste roekeloosheid van werknemer te wijten is. Dit is pas het geval indien de gedragingen die bewuste roekeloosheid opleveren, in zodanige mate tot het ongeval hebben bijgedragen dat het tekortschieten van werkgever in diens verplichtingen daarbij als oorzaak in het niet valt.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 177
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJ 1997, 198 met annotatie van prof. mr. P.A. Stein
RvdW 1996, 179
VR 1997, 57
Arbeidsrecht in 50 uitspraken 2012, p. 111 met annotatie van F.B.J. Grapperhaus, W.J.M. Rauws, mr. M.J.A.C.. Driessen
Arbeidsrecht in 50 uitspraken 2010, p. 127 met annotatie van S. Klosse
AR-Updates.nl 2020-0518
PS-Updates.nl 2020-0342
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

20 september 1996
Eerste Kamer
Nr. 16.027 (C 95/179)
AS


Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

Antonius Cornelis POLLEMANS ,
wonende te 's-Heerenhoek , gemeente Borsele ,
EISER tot cassatie,
advocaat: mr. G. Snijders,

t e g e n

HOLDING HOONDERT B.V., voorheen geheten Aannemingsbedrijf Hoondert Kwadendamme B.V.,
gevestigd te Baarland , gemeente Borsele ,
VERWEERSTER in cassatie,
advocaat: mr E. van Staden ten Brink.

1. Het geding in feitelijke instanties
Eiser tot cassatie – verder te noemen: Pollemans – heeft bij exploit van 11 mei 1992 verweerster in cassatie – verder te noemen: Hoondert – gedagvaard voor de Kantonrechter te Middelburg en gevorderd Hoondert te veroordelen (1) aan Pollemans te vergoeden de door hem geleden en nog te lijden materiële en immateriële schade, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet en te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 14 december 1991, en (2) bij wijze van voorschot aan Pollemans te betalen een bedrag van ƒ 100.000,--, althans een zodanig bedrag als de Kantonrechter in goede justitie zal vermenen te behoren.
Hoondert heeft de vorderingen bestreden.
Bij tussenvonnis van 15 maart 1993 heeft de Kantonrechter Hoondert tot bewijslevering toegelaten. Na enquête heeft de Kantonrechter bij eindvonnis aan Pollemans de vorderingen ontzegd.
Tegen beide vonnissen heeft pollemans hoger beroep ingesteld bij de Rechtbank te Middelburg.
Bij vonnis van 26 april 1995 heeft de Rechtbank beide vonnissen van de Kantonrechter bekrachtigd.
Het vonnis van de Rechtbank is aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie
Tegen het vonnis van de Rechtbank heeft Pollemans beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Hoondert heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.
De conclusie van Advocaat-Generaal Vranken strekt tot vernietiging en verwijzing.

3. Beoordeling van het middel
3.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
(i) Pollemans is op 1 mei 1990 als timmerman in dienst getreden van Hoondert . In april 1991 was Hoondert doende een uit Goes afkomstige – gedemonteerde – bedrijfshal weer op te bouwen te Middelburg , bij welke werkzaamheden onder meer Pollemans was ingezet.
(ii) Tijdens die werkzaamheden is Pollemans op 16 april 1991 bij het wederom aanbrengen van de uit golfplaten bestaande dakbedekking door een reeds aangebracht gedeelte van die dakbedekking gezakt en van grote hoogte naar beneden gevallen. Daarbij heeft hij ernstig letsel opgelopen, dat wellicht levenslange gehele of gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid tot gevolg zal hebben.

3.2.1. Pollemans vordert in dit geding op de voet van art. 7A:1638x BW van Hoondert vergoeding van de door hem als gevolg van het ongeval geleden en nog te lijden schade, alsmede betaling van een voorschot van ƒ100.000,--.
Daartoe heeft hij gesteld dat het hem overkomen ongeval te wijten is aan het feit dat Hoondert op de betreffende werkplek geen, althans onvoldoende veiligheidsvoorzieningen had getroffen, onvoldoende toezicht had gehouden en haar personeel, waaronder Pollemans , onvoldoende had geïnstrueerd. Hoondert heeft ten processe dit een en ander betwist en met name aangevoerd dat Pollemans zich in strijd met uitdrukkelijke instructies had begeven op een gedeelte van het dak, waar geen enkele bescherming aanwezig was, en waar hij in verband met zijn werkzaamheden ook niet behoefde te komen.

3.2.2 De Kantonrechter heeft bij tussenvonnis Hoondert opgedragen te bewijzen dat voldoende veiligheidsmaatregelen waren getroffen, dat het personeel duidelijk was geïnstrueerd en dat het verband tussen het al dan niet voldoende treffen van veiligheidsmaatregelen, respectievelijk geven van instructies en het ongeval ontbreekt.

3.2.3 Bij eindvonnis heeft de Kantonrechter overwogen (rov. 2) dat de beveiliging van de werkplek op het dak "vrij primitief" is geweest, maar dat hij geen oordeel behoefde te geven over de vraag of Hoondert voldoende veiligheidsmaatregelen had getroffen

"nu uit de getuigenverhoren is gebleken dat er geen causaal verband bestaat tussen de hoedanigheid van de veiligheidsmaatregelen en het ongeval. Immers is voldoende vast komen te staan dat Pollemans door het dak is gezakt op een plaats waar de dakplaten al waren gelegd en Pollemans voor zijn werkzaamheden niet van doen had. Uit de verklaringen vloeit voort dat het gat waar Pollemans door is gevallen, minstens twee meter verwijderd was van de plaats waar de steigerdelen ophielden en (waar) Pollemans krachtens de gegeven instructies (…) niet mocht lopen."

Voorts heeft de Kantonrechter vastgesteld (rov. 3) dat vóór de aanvang van de werkzaamheden en vrijwel zeker daarna overleg is geweest over de wijze van werken, dat Hoondert jr, die de leiding ter plaatse had, zowel vóór als tijdens het werk tegenover Pollemans heeft benadrukt dat men op de op het dak liggende steigerdelen moest blijven, dat Hoondert sr Pollemans dat ook nog eens onder ogen heeft gebracht en dat een drietal getuigen zulks ook heeft gedaan, toen zij bemerkten dat Pollemans ondanks die instructies tóch over de dakplaten liep. Op grond hiervan heeft de Kantonrechter geoordeeld dat

"in de zin der wet (…) derhalve voldoende "aanwijzingen" (zijn) gegeven, zodat ook op dit punt Hoondert geen verwijt treft. Zelfs ligt de gevolgtrekking voor de hand dat Pollemans door het in de wind slaan van deze instructies roekeloos heeft gehandeld en daardoor hem grove schuld kan worden verweten."

Op deze gronden heeft de Kantonrechter de vorderingen van Polleman afgewezen.

3.2.4 De Rechtbank heeft zich in haar vonnis verenigd met hetgeen de Kantonrechter in rov. 2 en 3 van zijn eindvonnis had overwogen. Daaraan heeft zij, voor zover in cassatie van belang, het volgende toegevoegd:

"Uitgaande van de door de Kantonrechter vastgestelde toedracht is Pollemans bewuste roekeloosheid te verwijten. Hij is immers willens en wetens naast de aangewezen beveiliging gaan lopen en heeft daarmee het hem bekende risico genomen dat die platen zijn gewicht niet zouden dragen. (…) Nu het ongeval en de daaruit voortgevloeide schade in belangrijke mate aan het bewust roekeloos handelen van Pollemans is te wijten, kan Pollemans niet met recht aanspraak maken op een vergoeding van die schade door Hoondert ."

Op deze gronden heeft de Rechtbank de vonnissen van de Kantonrechter bekrachtigd.
Hiertegen richt zich het middel.

3.3 De in onderdeel 1 aangevoerde klachten falen, aangezien zij zich richten tegen feitelijke vaststellingen en oordelen van de Rechtbank, die in cassatie niet op hun juistheid kunnen worden getoetst en in het licht van de gedingstukken niet onbegrijpelijk zijn.

3.4 Onderdeel 2 van het middel komt op tegen het door de Rechtbank – op grond van de door de Kantonrechter vastgestelde toedracht – gegeven oordeel dat het ongeval en de daaruit voortgevloeide schade in belangrijke mate aan het bewust roekeloos handelen van Pollemans zijn te wijten.
Bij het geven van dit oordeel is de Rechtbank met juistheid ervan uit gegaan dat Hoondert jegens Pollemans tot vergoeding van bedoelde schade gehouden is, tenzij door haar het bewijs wordt geleverd dat die schade in belangrijke mate mede aan opzet of bewuste roekeloosheid van Pollemans zou zijn te wijten (HR 27 maart 1992, NJ 1992, 496, rov. 3.3).
Het onderdeel treft evenwel doel. Van bewust roekeloos handelen door Pollemans zou eerst sprake zijn, indien deze zich tijdens het verrichten van zijn onmiddellijk aan het ongeval voorafgaande gedraging, te weten het naast de aanwezige beveiliging lopen, van het roekeloos karakter van die gedraging daadwerkelijk bewust zou zijn geweest.
Weliswaar overweegt de Rechtbank dat " Pollemans willens en wetens naast de aanwezige beveiliging is gaan lopen", maar gesteld al dat de Rechtbank met de woorden "willens en wetens" heeft betoogd als haar oordeel tot uitdrukking te brengen dat Pollemans zich onmiddellijk vóór het ongeval daadwerkelijk ervan bewust was dat zijn gedrag roekeloos was, dan vindt dat oordeel geen steun in de door de Rechtbank op het voetspoor van de Kantonrechter als vaststaand aangenomen feiten.
Voor dat oordeel is met name niet voldoende redengevend de vaststelling door de Kantonrechter, samengevat weergegeven, dat Pollemans van de zijde van Hoondert herhaaldelijk en in krachtige termen ervoor is gewaarschuwd niet buiten de steigerdelen te lopen (rov. 3 van het eindvonnis). Uit deze vaststelling volgt immers niet noodzakelijkerwijs dat ook op het tijdstip onmiddellijk voorafgaande aan het ongeval het roekeloze karakter van Pollemans ' gedrag in diens bewustzijn leefde.
Bij het voorgaande moet worden bedacht dat art. 1638x lid 2 juist ertoe strekt de werknemer te beschermen door rekening te houden met het ervaringsfeit dat, kort gezegd, het dagelijks verkeren in een bepaalde werksituatie tot een vermindering van de ter voorkoming van ongelukken raadzame voorzichtigheid leidt (HR 27 juni 1975, NJ 1976, 81 en HR 9 januari 1987, NJ 1987, 948).

3.5 Onderdeel 3 verwijt de Rechtbank zich ten onrechte, althans op onvoldoende gronden, te hebben verenigd met het oordeel van de kantonrechter dat geen causaal verband bestaat tussen het ongeval en het (mogelijk) tekortschieten van Hoondert in haar verplichting tot het treffen van voldoende veiligheidsmaatregelen.
Ook dit onderdeel treft doel. Indien, zoals in cassatie bij wege van veronderstelling moet worden aangenomen, Hoondert in de verplichting is tekortgeschoten, moet causaal verband tussen dit tekortschieten en het ongeval aanwezig worden geacht, tenzij Hoondert zou aantonen dat de veiligheidsmaatregelen die redelijkerwijs van haar konden worden gevergd, het ongeval niet zouden hebben voorkomen (vgl. HR 22 maart 1991, NJ 1991, 420, rov. 3.2 laatste zin).

3.6 Onderdeel 4 faalt. Indien ten processe zou komen vast te staan dat het ongeval in belangrijke mate aan bewuste roekeloosheid van Pollemans is te wijten, volgt uit art. 1638x lid 2 dat Polleman jegens Hoondert geen enkele aanspraak op schadevergoeding heeft. Aantekening verdient evenwel dat van "in belangrijke mate" als hiervoor bedoeld slechts sprake is, indien de gedragingen van de werknemer die opzet of bewuste roekeloosheid opleveren, in zodanige mate tot het ongeval hebben bijgedragen dat het tekortschieten van de werkgever in diens verplichtingen daarbij als oorzaak in het niet valt.

3.7 Uit het voorgaande volgt dat het vonnis van de Rechtbank niet in stand kan blijven en dat verwijzing moet volgen.
Onderdeel 5 behoeft geen behandeling meer.

4. Beslissing
De Hoge Raad:
vernietigt het vonnis van de Rechtbank te Middelburg van 26 april 1995;
verwijst de zaak naar het Gerechtshof te 's-Gravenhage ter verdere behandeling en beslissing;
veroordeelt Hoondert in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van Pollemans begroot op ƒ 4.040,96, op de voet van art. 57b Rv. te voldoen aan de Griffier.

Dit arrest is gewezen door de president Royer als voorzitter en de raadsheren Roelvink, Korthals Altes, Heemskerk en Herrmann, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer Heemskerk op 20 september 1996.