Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:1996:ZC2018

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
15-03-1996
Datum publicatie
05-02-2018
Zaaknummer
15930
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Vordering uit ongerechtvaardigde verrijking wegens het profiteren door apotheker van intrekking vergunning apotheekhoudende arts.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJ 1997, 3 met annotatie van E.J.H. Schrage
RZA 1997, 114
RvdW 1996, 74
JB 1996/120
RV 2014/80 met annotatie van Redactie van Rechtspraak Vermogensrecht
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15 maart 1996

Eerste Kamer

Nr. 15.930 (C 95/82)

Arrest

in de zaak van:

[eiser] ,

wonende te [woonplaats] ,

EISER tot cassatie,

advocaat: R.S. Meijer,

t e g e n

[verweerder] ,

wonende te [woonplaats] ,

VERWEERDER in cassatie,

advocaat: mr J.B.M.M. Wuisman.

1. Het geding in feitelijke instanties

Verweerder in cassatie - verder te noemen: [verweerder] - heeft bij exploit van 9 juli 1987 eiser tot cassatie - verder te noemen [eiser] - gedagvaard voor de Rechtbank te Assen. Na wijziging van eis heeft [verweerder] gevorderd: primair betaling van ƒ 102.757,22 en subsidiair betaling van ƒ 82.205,78.

Nadat [eiser] tegen de vordering verweer had gevoerd, heeft de Rechtbank bij tussenvonnis van 13 juni 1989 een comparitie gelast en bij eindvonnis van 23 oktober 1990 de vordering afgewezen.

Tegen deze vonnissen heeft [verweerder] hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te Leeuwarden.

Het Hof heeft bij tussenarrest van 16 juni 1993 [eiser] gelast gegevens als bedoeld in rov. 25 van dat arrest in het geding te brengen.

Bij tussenarrest van 25 mei 1994 heeft het Hof het geding naar de rol verwezen opdat partijen zich zouden kunnen uitlaten omtrent te benoemen deskundigen.

Bij tussenarrest van 14 december 1994 heeft het Hof een deskundigenbericht gelast en drie deskundigen benoemd.

De tussenarresten van het Hof zijn aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen de tussenarresten van het Hof heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

[verweerder] heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.

De conclusie van de Advocaat-Generaal Koopmans strekt tot verwerping van het beroep. De conclusie is aan dit arrest gehecht.

3. Beoordeling van het middel

3.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

(i) [verweerder] is huisarts, gevestigd te Smilde, en bevoegd de geneeskunst uit te oefenen in de gemeenten Smilde, Diever en Dwingeloo, alsmede in een gedeelte van de gemeente Beilen.

(ii) In het verleden was [verweerder] apotheekhoudend huisarts.

(iii) Omstreeks 10 maart 1980 heeft [eiser] zich als apotheker gevestigd in de gemeente Smilde.

(iv) Tussen partijen hebben vóór en ten tijde van de vestiging van de apotheek onderhandelingen plaatsgevonden omtrent een door [eiser] te betalen goodwillvergoeding bij overdracht in der minne van de huisartsapotheek van [verweerder] aan [eiser] . In het kader van deze onderhandelingen is door [eiser] in 1980 het aanbod gedaan tot betaling van 125% van het zogeheten "BACO-tarief", de door een apotheker aan een arts te betalen vergoeding voor de overname van een huisartsapotheek, zoals neergelegd in een overeenkomst, die is gesloten Koninklijke Maatschappij tot bevordering der geneeskunst en de Koninklijke Maatschappij ter bevordering der pharmace

[verweerder] heeft dat aanbod toen niet aanvaard, omdat hij zijn apotheek wilde behouden.

(v) Op verzoek van [eiser] heeft de Commissie voor Gebiedsaanwijzing in de provincie Drenthe, op de voet van art. 6 lid 4 van de Wet op de Geneesmiddelenvoorziening (hierna: WG), de aan [verweerder] verleende vergunning om een apotheek te houden, ingetrokken.

(vi) [verweerder] heeft tegen deze beslissing beroep ingesteld bij de Minister van W.V.C. en, na verwerping daarvan, arob-beroep bij de Afdeling rechtspraak van de Raad van State.

Bij uitspraak van 9 november 1982 is [verweerder] ook door de Afdeling Rechtspraak in het ongelijk gesteld. Als gevolg daarvan is de aan [verweerder] verleende vergunning per 1 januari 1983 - onherroepelijk - vervallen. [verweerder] had op die datum 1814 ziekenfondspatiënten en 584 particuliere patiënten.

(vii) Bij brief van 17 maart 1983 heeft [verweerder] te kennen gegeven het aanbod uit 1980 alsnog te willen accepteren.

[eiser] heeft zich op het standpunt gesteld dat het aanbod was vervallen.

(viii) [eiser] heeft de apotheek inmiddels overgedragen aan een opvolger.

3.2 De Rechtbank heeft geoordeeld dat [eiser] in 1983 niet gebonden was aan zijn uit 1980 daterende aanbod.

Nadat een comparitie ter beproeving van een minnelijke regeling zonder resultaat was gebleven, heeft de Rechtbank de vordering afgewezen.

Het Hof heeft de grief van [verweerder] , inhoudende dat de Rechtbank niet had onderzocht of [eiser] ongerechtvaardigd is verrijkt, gegrond bevonden. Vervolgens heeft het Hof onderzocht of inderdaad sprake is van ongerechtvaardigde verrijking.

Daarbij heeft het Hof tot uitgangspunt genomen dat enerzijds [verweerder] is verarmd door het wegvallen met ingang van 1 januari 1983 van de inkomsten van zijn doktersapotheek en anderzijds [eiser] is verrijkt doordat de verstrekking van geneesmiddelen aan patiënten van [verweerder] met ingang van die dag op hem is overgegaan en hij daaruit toen inkomsten heeft verworven (rov. 14 en 15 eerste tussenarrest). Dit uitgangspunt is in cassatie niet bestreden.

Voorts heeft het Hof ter beantwoording van de vraag of de verrijking van [eiser] ongerechtvaardigd was, onderzocht of die verrijking inderdaad redelijke grond mist. In dit verband heeft het Hof nagegaan of de vordering van [verweerder] past in het Nederlandse rechtsstelsel en of zij - nu zij niet rechtstreeks kan worden gegrond op de wet, zoals deze voor 1 januari 1992 luidde - aansluit bij de toen wel in de wet geregelde gevallen (rov. 16 eerste tussenarrest).

Ook dit uitgangspunt wordt in cassatie - terecht - niet bestreden.

Het Hof heeft de vraag of aan [verweerder] een vordering uit ongerechtvaardigde verrijking toekomt, in zijn daarop volgende overwegingen bevestigend beantwoord. Die overwegingen laten zich als volgt samenvatten:

(a) Er zijn publiekrechtelijke wetten waarin de financiële gevolgen van het wijzigen of intrekken van vergunningen aldus worden geregeld, dat vergoeding van schade ten laste wordt gebracht van derden die door het uitvallen van een concurrent meer mogelijkheden krijgen tot het maken van winst, en daardoor gebaat zijn. De vordering van [verweerder] past derhalve in het Nederlandse rechtsstelsel en sluit aan bij wel in het Nederlandse recht geregelde gevallen.

(b) Aan het voorgaande doet niet af dat de WG geen voorzieningen kent ter vergoeding van schade als geleden in het onderhavige geval.

(c) Van belang is voorts dat de beroepsorganisaties van respectievelijk artsen en apothekers de zogeheten "BACO-overeenkomst" hebben gesloten, welke overeenkomst voorziet een vergoeding ingeval van de "overgang" van een huisasapotheek naar een apotheker.

(d) De Commissie voor Gebiedsaanwijzing, de Minister en de Afdeling rechtspraak hebben bij hun hiervoor in 3.1 vermelde beslissingen laten meewegen dat door [eiser] aan [verweerder] een vergoeding is aangeboden.

3.3 Subonderdeel I.a strekt ten betoge dat de door het

Hof bedoelde publiekrechtelijke wetgeving moet worden aangemerkt als een uitzondering en derhalve niet kan dienen ter ondersteuning van het oordeel dat de vordering van [verweerder] past in het stelsel van de wet en aansluit bij wel geregelde gevallen. Daarbij komt nog, aldus het subonderdeel, dat het in dergelijke uitzonderingsgevallen vrijwel steeds de overheid is, die gehouden is de benadeelde bij wege van "nadeelscompensatie" tegemoet te komen.

Het subonderdeel is vergeefs voorgesteld. Het Hof heeft voor de vraag of een vordering uit ongerechtvaardigde verrijking in een geval als het onderhavige in het stelsel van het voor 1 januari 1992 geldende Nederlandse recht past en aansluit bij de destijds daarin wel geregelde gevallen, terecht betekenis toegekend aan publiekrechtelijke wetgeving waarbij een vergoeding wordt toegekend voor schade ontstaan door in die wetgeving voorziene en in het algemeen belang nodig geachte overheidsbesluiten, in het bijzonder aan die wetgeving waarbij de schade die het gevolg is van de intrekking van een vergunning, ten laste wordt gebracht van andere ondernemers die door het uitvallen van de concurrent die zijn vergunning verloor, meer mogelijkheden krijgen tot het maken van winst en daardoor derhalve gebaat zijn. Aan de betekenis die in dit verband aan zodanige wetgeving toekomt, doet niet af dat in publiekrechtelijke wetgeving een verplichting tot vergoeding van nadeel uitzonderlijk is en dat, zo zij voorkomt, het in de regel de overheid is, die gehouden is tot nadeelscompensatie en niet de concurrenten. Dat een wettelijke regeling veelal ontbreekt of slechts voorziet in nadeelscompensatie door de overheid, brengt immers nog niet mee dat een vordering die op grond van ongerechtvaardigde verrijking door degene die zijn vergunning verloor, wordt ingesteld tegen degene die daardoor verrijkt wordt, niet in het stelsel van het Nederlandse recht zou passen of niet meer goed zou aansluiten bij de hiervoor bedoelde publiekrechtelijke wetgeving waarin wel een vergoedingsplicht op de concurrenten is gelegd.

3.4 Subonderdeel 1.b bestrijdt tevergeefs 's Hofs oordeel, dat de omstandigheid dat de WG geen voorzieningen kent ter vergoeding van schade, geen afbreuk doet aan 's Hofs slotsom dat de vordering van [verweerder] past in het stelsel van de wet en aansluit bij wel in de wet geregelde gevallen.

Het ontbreken van een vergoedingsregeling in de WG wordt verklaard door het feit dat de wetgever het niet op zijn weg vond liggen een dergelijke regeling op te nemen in een wet die beoogt de kwaliteit van de geneesmiddelenvoorziening te waarborgen. Regering en parlement hebben daarbij in aanmerking genomen dat de beroepsorganisaties van artsen en apothekers in onderling overleg tot afspraken zijn gekomen over de door apothekers te betalen vergoedingen (zie de gegevens vermeld in de conclusie van het Openbaar Ministerie onder 9).

3.5 Subonderdeel I.c voert aan dat, nu het de overheid is, die beslist over het al dan niet intrekken van een r- gunning als waarvan hier sprake, het hooguit op de weg van de overheid ligt om bij wege van nadeelscompensatie een r- goeding te betalen, maar niet op de weg van de apotheker, ook al is het deze die om intrekking van de vergunning heeft verzocht.

Het subonderdeel komt neer op een nadere onderbouwing van het betoog van onderdeel I.a. Uit hetgeen hiervoor in 3.3 is overwogen, vloeit voort dat het subonderdeel tevergeefs is voorgesteld.

3.6 Subonderdeel I.d strekt ten betoge dat het Hof heeft miskend dat [verweerder] bij het aanvragen en verkrijgen van de vergunning reeds rekening ermee diende te houden dat zijn vergunning weer ingetrokken zou kunnen worden en dat een dergelijke ontwikkeling dan ook tot het voorzienbare maatschappelijke risico van de apotheekhoudende huisarts behoort.

Het subonderdeel mist doel. De voorzienbaarheid van de mogelijkheid van intrekking van de vergunning betekent niet dat [verweerder] ook ermee rekening diende te houden dat hij in dat geval verstoken zou blijven van een vergoeding, te betalen door de apotheker die in zijn plaats de geneesmiddelenvoorziening zou gaan verzorgen. Zoals hierna in 3.7 nog aan de orde zal komen, volgt uit de totstandkoming van de "BACO-overeenkomst" dat de beroepsorganisaties van artsen en apothekers een zodanige vergoeding redelijk hebben geacht en het wenselijk hebben geacht zulks uit te werken in richtlijnen, aan de hand waarvan [eiser] aanvankelijk zelf een aanbod tot een zodanige vergoeding heeft gedaan.

In verband met een en ander kan niet worden gezegd dat intrekking van een vergunning als de onderhavige zonder enig recht op vergoeding voor een apotheekhoudend arts een maatschappelijk risico oplevert, waarvan de aard meebrengt dat hij dit zelf heeft te dragen in dier voege dat, zo een apotheker door die intrekking is verrijkt, die verrijking geacht moet worden een redelijke grond te hebben.

3.7 Subonderdeel I.e voert aan dat in het onderhavige geval geen sprake is van een verrijking die als ongerechtvaardigd kan worden aangemerkt, nu zij door de wet wordt veroorzaakt en gesanctioneerd, terwijl te dezen bovendien niet van een vermogensverschuiving kan worden gesproken.

Het subonderdeel faalt. De enkele omstandigheid dat de overgang van de bevoegdheid tot geneesmiddelenvoorziening, waardoor [verweerder] inkomsten heeft verloren en [eiser] inkomsten heeft verworven, steunt op de wet, brengt niet mee dat [eiser] de daarin gelegen verrijking mag behouden zonder gehouden te zijn de schade van [verweerder] , voor zover dat redelijk is, te vergoeden. In aanmerking genomen dat [eiser] zich op eigen initiatief in het verzorgingsgebied van [verweerder] heeft gevestigd, en door een daartoe strekkend verzoek heeft bewerkstelligd dat aan [verweerder] diens vergunning om een apotheek te houden, werd ontnomen, alsmede de omstandigheid dat blijkens de totstandkoming van de "BACO-overeenkomst" niet alleen de beroepsorganisatie van de artsen, maar ook die van de apothekers een door de apotheker in gevallen als het onderhavige te betalen vergoeding redelijk heeft geoordeeld, geeft 's Hofs oordeel, dat geen enkele redelijke grond aanwezig is, waarom [eiser] de geneesmiddelenvoorziening kosteloos van [verweerder] zou kunnen overnemen (rov. 24 eerste tussenarrest), niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Dit oordeel is voorts niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd.

3.8 Subonderdeel I.f kan bij gebrek aan feitelijke grondslag niet tot cassatie leiden. Uit niets blijkt dat het Hof heeft miskend dat de "BACO-overeenkomst" geen rechtstreekse werking heeft tussen [verweerder] en [eiser] .

3.9 Subonderdeel I.g komt op tegen 's Hofs overweging dat de Commissie voor Gebiedsaanwijzing, de Minister en de Afdeling rechtspraak bij hun beslissingen in aanmerking hebben genomen dat [eiser] aan [verweerder] een vergoeding heeft aangeboden.

Het subonderdeel faalt. Anders dan het subonderdeel veronderstelt, kon hetgeen het Hof heeft overwogen, bijdragen tot diens oordeel dat de verrijking van [eiser] moet worden aangemerkt als ongerechtvaardigd. Dit wordt niet anders indien juist zou zijn - hetgeen door het subonderdeel wordt aangevoerd - dat geen enkel geval bekend is waarin het intrekken van een vergunning op de voet van art. 6 lid 4 WG is geweigerd omdat door de apotheker geen aanbod tot vergoeding was gedaan.

3.10 Subonderdeel I.h verwijt het Hof onvoldoende aandacht te hebben geschonken aan hetgeen door [eiser] was gesteld omtrent een drietal - in het subonderdeel weer- gegeven - gedragingen van [verweerder] , die zouden meebrengen dat deze het missen van een vergoeding geheel aan zichzelf te wijten heeft.

Het subonderdeel faalt. In 's Hofs oordeel, dat geen enkele redelijke grond aanwezig is voor de verrijking van [eiser] als gevolg van een kosteloze overneming van de geneesmiddelenvoorziening van de patiënten van [verweerder] , ligt besloten dat het Hof vorenbedoelde stellingen heeft verworpen. In het licht van de gedingstukken is dat oordeel niet onbegrijpelijk; tot een nadere motivering was het Hof niet gehouden.3.11 Onderdeel II komt op tegen 's Hofs tweede tussenarrest.

Subonderdeel II.c - subonderdeel II.a bevat slechts een inleiding en subonderdeel II.b bouwt voort op onderdeel I - strekt ten betoge dat het Hof ten onrechte heeft geoordeeld dat de aanloopverliezen van [eiser] geen rol mogen spelen.

Het subonderdeel berust op een onjuiste lezing van 's Hofs tussenarrest. Het Hof heeft te kennen gegeven deskundigen te willen benoemen, teneinde dezen aan de hand van de door het Hof geformuleerde maatstaf de verrijking van [eiser] per 1 januari 1983 te laten berekenen.

In het vervolg van de procedure zal alsnog aan de orde kunnen komen of, gelet op de door [eiser] gestelde aanloopverliezen, de redelijkheid meebrengt dat de door deskundigen aldus berekende verrijking niet ten volle aan [verweerder] dient te worden vergoed. De bestreden uitspraak geeft geen aanleiding voor de veronderstelling dat het Hof dit heeft miskend. Het subonderdeel kan derhalve niet tot cassatie leiden.

3.12 Subonderdeel II.d faalt omdat het eraan voorbijziet dat 's Hofs oordeel dat sprake is van ongerechtvaardigde verrijking (rov. 24 eerste tussenarrest), een uitdrukkelijk en zonder voorbehoud gegeven beslissing behelst, waaraan het Hof gedurende de verdere loop van het geding was gebonden.

3.13 Onderdeel III bouwt voort op de beide vorige en moet het lot daarvan delen.

4. Beslissing

De Hoge Raad: verwerpt het beroep;

veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerder] begroot op ƒ 1.747,20 aan verschotten en ƒ 3.000,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de vice-president Snijders als voorzitter en de raadsheren Mijnssen, Neleman, Heemskerk en Nieuwenhuis, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer Korthals Altes op 15 maart 1996.