Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:1996:BI5522

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
04-12-1996
Datum publicatie
06-05-2020
Zaaknummer
30 655
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:1996:AA1780
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Art. 13 Wet Vpb 1969; deelnemingsvrijstelling; art. 28 Wet Vpb 1969; beleggingsinstelling; ECLI:NL: HR:1991:BH7859; boekwinst verkoop deelneming met de status van beleggingsinstelling vrijgesteld?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BNB 1997/256 met annotatie van A.H.M. Daniels
FED 1996/1003
FED 1997/745 met annotatie van P.M. VERHAGEN
WFR 1996/1871
V-N 1996/4933, 10 met annotatie van Redactie
NV 1997, 8
FutD 1996-2475
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Hoge Raad der Nederlanden
derde kamer

nr. 30.655

4 december 1996

TB

ARREST

gewezen op het beroep in cassatie van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [X] B.V. te [Z] tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 13 september 1994 betreffende de haar voor het jaar 1986 opgelegde aanslag in de vennootschapsbelasting.

1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof

Aan belanghebbende is voor het jaar 1986 een aanslag in de vennootschapsbelasting opgelegd naar een belastbaar bedrag van ƒ 1.561.877,--, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd.

Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof, dat deze uitspraak heeft bevestigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Staatssecretaris van Financiën heeft bij vertoogschrift het cassatieberoep bestreden.

De Plaatsvervangend Procureur-Generaal Van Soest heeft op 26 februari 1996 geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

3. Beoordeling van het middel van cassatie

3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan:

Belanghebbende, opgericht op 28 december 1983, was tot 25 juni van het onderhavige jaar (1986) houdster van alle aandelen in [C] B .V., welke vennootschap sedert haar oprichting - eveneens op 28 december 1983 - een beleggingsinstelling als bedoeld in artikel 28, lid 2, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (tekst 1986; hierna: de Wet) vormde. Het boekjaar van [C] B .V. liep met ingang van 1 juni 1985 van 1 juni tot en met 31 mei. De winst van evengenoemde vennootschap over het boekjaar 1985/1986 beliep ƒ 2.264.840,31. In dit bedrag is begrepen ƒ 1.019.569,50 ter zake van een door haar gevormde, en per 31 mei 1986 opgeheven, herbeleggingsreserve, alsmede ƒ 57.683,63 ter zake van een - eveneens op 31 mei 1986 opgeheven - afrondingsreserve. In de periode tussen 1 en 23 juni 1986 heeft [C] B .V. de aard van haar beleggingen zodanig gewijzigd dat zij de status van beleggingsinstelling met ingang van 1 juni 1986 heeft verloren. Belanghebbende heeft op 25 juni 1986 de aandelen in [C] B .V. verkocht voor een bedrag van ƒ 8.078.894,-- . Hierbij behaalde belanghebbende een boekwinst van ƒ 2.173.271,--, in welk bedrag geen voordelen zijn begrepen, die afkomstig waren uit de periode na 1 juni 1986, en evenmin een vergoeding voor stille reserves, aangezien op het moment van verkoop in [C] B .V. geen stille reserves aanwezig waren. Op 15 oktober 1986 heeft [C] B .V. haar nieuwe moedermaatschappij een dividenduitkering van ƒ 2.264.840,31 over het boekjaar 1985/1986 doen toekomen.

3.2. Voor het Hof was tussen partijen in geschil het antwoord op de vraag of de hiervóór in 3.1 vermelde boekwinst van ƒ 2.173.271,-- een vrijgesteld voordeel vormt als bedoeld in artikel 13, lid 1, van de Wet, welke vraag door belanghebbende bevestigend en door de Inspecteur ontkennend is beantwoord.

3.3. Het Hof heeft het geschil ten gunste van de Inspecteur beslist. Het heeft daartoe geoordeeld dat het hier gaat om voordelen die zijn ontstaan in een tijdvak waarin er weliswaar sprake was van een deelnemingsverhouding, maar waarin de deelnemingsvrijstelling niet van toepassing was omdat de deelneming een beleggingsinstelling betrof; dat de in het arrest van de Hoge Raad van 19 juni 1991, BNB 1991/268, weergegeven gedachtengang echter ook van toepassing is op voordelen uit hoofde van een deelneming, die, zoals de onderwerpelijke boekwinst, in evenbedoeld tijdvak zijn ontstaan en niet op andere wijze in een belasting naar de winst kunnen worden betrokken.

3.4. Dit oordeel is juist. Daaraan doet niet af dat de wetgever in artikel 13, lid 2, tweede en derde volzin, slechts voor uitdelingen uitdrukkelijk een overgangsregeling heeft getroffen, daar deze regeling gelet op het stelsel van de wet, niet ertoe strekt gerealiseerde koerswinsten als de onderhavige van belastingheffing uit te sluiten.

3.5. Het middel, dat tegen dit oordeel opkomt, faalt derhalve.

4. Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken.

5. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep

Dit arrest is op 4 december 1996 vastgesteld door de vice-president R.J.J. Jansen als voorzitter, en de raadsheren Van der Linde, Bellaart, De Moor en Van Brunschot, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Van Hooff, en op die datum in het openbaar uitgesproken. Bij ontstentenis van de voorzitter is dit arrest ondertekend door de raadsheer Van der Linde.