Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:1996:AA3253

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
17-04-1996
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
30863
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Successiewet 1956 3
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PW 1996, 20690
BNB 1997/96
V-N 1997/891, 21 met annotatie van Redactie
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

gewezen op het beroep in cassatie van X (de erfgenamen van A) te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 9 november 1994 betreffende de aan hen opgelegde aanslag in het recht van successie ter zake van hun verkrijgingen uit de nalatenschap van A (hierna: de erflater), overleden op 14 mei 1990.

1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof Aan belanghebbenden zijn, op één aanslagbiljet verenigd, ter zake van bovenvermelde verkrijgingen aanslagen in het successierecht opgelegd naar een belaste verkrijging van in totaal ƒ 2.142.974,--, welke aanslagen, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur zijn gehandhaafd. Belanghebbenden zijn van de uitspraak van de Inspecteur in beroep gekomen bij het Hof. Het Hof heeft die uitspraak bevestigd.

2. Geding in cassatie Belanghebbenden hebben tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld en daarbij enige klachten aangevoerd. De Staatssecretaris van Financiën heeft een vertoogschrift ingediend.

3. Beoordeling van de klachten De klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien artikel 101a van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4. Proceskosten De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken.

5. Beslissing De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is op 17 april 1996 vastgesteld door de raadsheer Urlings als voorzitter, en de raadsheren Jansen en Pos, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Reijngoud, en op die datum in het openbaar uitgesproken.