Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:1996:AA2060

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
30-08-1996
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
30881
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BNB 1996/373
FED 1996/722
FED 1997/19
WFR 1996/1305, 2
V-N 1996/3910, 6

Uitspraak

gewezen op het beroep in cassatie van X te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 4 november 1994 betreffende een verzoek ingevolge artikel 5a, lid 3, van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken (tekst 1994; hierna: de Wet).

1. Geding voor het Hof Bij het intrekken van een beroepschrift betreffende de aan belanghebbende opgelegde aanslag in de premieheffing volksverzekeringen voor het jaar 1989 is op 18 augustus 1994 een verzoek gedaan om de Inspecteur te veroordelen in de kosten in verband met de behandeling van het beroep bij het Hof. Het Hof heeft de Inspecteur veroordeeld in de proceskosten van belanghebbende tot een beloop van ƒ 100,-- en heeft gelast dat de Staat dit bedrag aan belanghebbende betaalt. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De Staatssecretaris van Financiën heeft bij vertoogschrift het cassatieberoep bestreden. Belanghebbende heeft de zaak doen toelichten door mr E.J. Pot, advocaat te 's-Gravenhage.

3. Beoordeling van de middelen van cassatie 3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan:

3.1.1. Belanghebbende, die op 15 april 1994 beroep had ingesteld tegen de aanslag premieheffing 1989, heeft dat beroep bij brief van 18 augustus 1994 ingetrokken, daar de Inspecteur ten aanzien van het geschil over de hoogte van het premie-inkomen blijkens diens brief van 16 augustus 1994 geheel tegemoet zou komen aan de bezwaren van belanghebbende. Bij beschikking van 7 oktober 1994 is de aanslag vervolgens ambtshalve verminderd, zoals aangekondigd in voormelde brief. Ter gelegenheid van de intrekking van het beroep heeft belanghebbende het Hof verzocht de Inspecteur te veroordelen in de proceskosten. De Inspecteur heeft bij brief van 18 oktober 1994 gereageerd op het verzoek van belanghebbende. Hij stelde in de brief van mening te zijn dat belanghebbende lichtvaardig geprocedeerd heeft, daar het beroep was ingesteld onmiddellijk na de ontvangst van de uitspraak op bezwaar, dat de fout in die uitspraak een duidelijk herkenbare verschrijving betrof en dat één telefoontje voldoende was geweest om de fout te doen herstellen. 3.1.2. Gezien de stukken van het geding moet in cassatie ervan worden uitgegaan dat belanghebbende de reactie van de Inspecteur van 18 oktober 1994 niet kent.

3.2. Het Hof heeft termen aanwezig geacht om de Inspecteur in de kosten als bedoeld in artikel 5a, lid 1, van de Wet te veroordelen. Het heeft met een beroep op het bepaalde in artikel 2, lid 2, van het Besluit proceskosten fiscale procedures (tekst 1994; hierna: het Besluit) die kosten vastgesteld op ƒ 100,-.

3.3.1. De middelen betogen in de eerste plaats dat het Hof, gezien het bepaalde in artikel 2, lid 2, laatste volzin, van het Besluit, had dienen aan te geven op grond van welke bijzondere omstandigheden met een lagere proceskostenveroordeling kon worden volstaan dan in artikel 2, lid 1, van het Besluit wordt voorgeschreven. De middelen zijn in zoverre gegrond. Uit de samenhang van de leden 1 en 2 van artikel 2 van het Besluit volgt dat, indien een belastingplichtige zijn beroepschrift intrekt omdat de inspecteur geheel aan het bezwaar is tegemoet gekomen, in beginsel de proceskosten moeten worden vastgesteld op de wijze als aangegeven in artikel 2, lid 1, van dat Besluit. Indien wegens bijzondere omstandigheden (laatste volzin van artikel 2, lid 2) bij de vaststelling van de kosten van het eerste lid wordt afgeweken, dienen die omstandigheden in de uitspraak aan de beslissing ten grondslag te worden gelegd. In de onderhavige uitspraak van het Hof is dat niet gebeurd.

3.3.2. Voor zover de middelen betogen dat de berekening van een toegepaste vermindering bij het toekennen van proceskosten in de hofuitspraak moet worden verantwoord, zijn zij ongegrond. Indien een grond voor een vermindering van de proceskosten bestaat, behoeft de omvang van de vermindering niet afzonderlijk te worden gemotiveerd.

3.3.3. Op een verzoek om verhoging van de proceskosten wegens bijzondere omstandigheden behoeft een Hof niet uitdrukkelijk in te gaan. Het staat een Hof vrij al dan niet gewicht toe te kennen aan bijzondere omstandigheden.

3.3.4. Belanghebbendes klacht dat zij ten onrechte niet op de hoogte is gesteld van de inhoud van de brief van de Inspecteur van 18 oktober 1994, is gegrond, aangezien de beginselen van behoorlijke rechtspleging meebrengen dat iedere partij in de gelegenheid wordt gesteld van alle in het geding gebrachte stukken kennis te nemen en zich daarover uit te laten.

3.3.5. Gezien het hiervóór overwogene kan 's Hofs uitspraak niet in stand blijven. Verwijzing moet volgen.

4.Proceskosten De Hoge Raad acht termen aanwezig om ten aanzien van de proceskosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het geding in cassatie heeft moeten maken, te beslissen zoals hierna zal worden vermeld. 5. Beslissing De Hoge Raad vernietigt de uitspraak van het Hof, verwijst het geding naar het Gerechtshof te 's-Gravenhage ter verdere behandeling en beslissing van de zaak in meervoudige kamer met inachtneming van dit arrest, gelast dat door de Staatssecretaris van Financiën aan belanghebbende wordt vergoed het door deze voor de behandeling van het beroep in cassatie verschuldigd geworden griffierecht ten bedrage van ƒ 300,- en veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op ƒ 710,- voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Dit arrest is op 30 augustus 1996 vastgesteld door de vice-president R.J.J. Jansen als voorzitter, en de raadsheren Bellaart, De Moor, Van der Putt- Lauwers en Van Brunschot, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Van Hooff, en op die datum in het openbaar uitgesproken.