Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:1996:AA2043

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
09-10-1996
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
31429
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wet op belastingen van rechtsverkeer 15, geldigheid: 1996-10-09
Wet op de omzetbelasting 1968 7, geldigheid: 1996-10-09
Wet op de omzetbelasting 1968 7, geldigheid: 1996-10-09
Uitvoeringsbeschikking omzetbelasting 1968 3, geldigheid: 1996-10-09
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PW 1996, 20722
BNB 1996/405
FED 1996/832
FED 1996/934
WFR 1996/1537, 2
V-N 1997/418, 28

Uitspraak

gewezen op het beroep in cassatie van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid X B.V. te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 5 juli 1995 betreffende na te melden naheffingsaanslag in de overdrachtsbelasting.

1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof Aan belanghebbende is ter zake van haar verkrijging op 29 december 1992 van na te melden onroerende zaak een naheffingsaanslag in de overdrachtbelasting opgelegd ten bedrage van ƒ 30.000,-- aan enkelvoudige belasting, zonder verhoging, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd. Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof, dat deze uitspraak heeft bevestigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De Staatssecretaris van Financiën heeft bij vertoogschrift het cassatieberoep bestreden.

3. Beoordeling van het middel van cassatie 3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan: Belanghebbende heeft op 29 december 1992 van de gemeente Q (hierna: de gemeente) een perceel - in 1983 bouwrijp gemaakte - grond verkregen, waarvoor de verschuldigde koopsom ƒ 500.000,-- (exclusief omzetbelasting) bedroeg. In de transportakte is een beroep gedaan op de vrijstelling als bedoeld in artikel 15, lid 1, letter a, van de Wet op belastingen van rechtsverkeer, op grond van het verschuldigd zijn van omzetbelasting. De gemeente heeft de onderwerpelijke grond als parkeerterrein en groenvoorziening met ingang van 1 januari 1988 tot het moment van overdracht ten titel van verhuur aan belanghebbende in gebruik gegeven.

3.2. Het Hof heeft op grond van deze feiten en omstandigheden geoordeeld dat de gemeente in haar hoedanigheid van ondernemer in de zin der Wet op de omzetbelasting 1968 (hierna: de Wet) de grond als bedrijfsmiddel heeft gebruikt.

3.3. Voor zover het middel ten betoge strekt dat de gemeente ter zake niet als ondernemer is opgetreden omdat de huur en verhuur van onroerende zaken niet is opgenomen in de opsomming neergelegd in artikel 3 van de Uitvoeringsbeschikking omzetbelasting 1968, dat uitvoering geeft aan het bepaalde in artikel 7,lid 3, van de Wet, faalt het, aangezien genoemde prestatie reeds is te rangschikken onder artikel 7, lid 2, letter b, van de Wet, weshalve de gemeente wegens de exploitatie van de grond als vermogensbestanddeel gedurende de periode van 1 januari 1988 tot 29 december 1992 reeds als ondernemer is aan te merken. Gezien deze exploitatie is, anders dan het middel betoogt, de grond als bedrijfsmiddel duurzaam in gebruik geweest, zodat het Hof het beroep op genoemde vrijstellingsbepaling van de overdrachtbelasting terecht heeft verworpen. De stelling dat pas sprake is van eerste ingebruikname in de zin van genoemde vrijstellingsbepaling indien het desbetreffende object overeenkomstig zijn oorspronkelijke bestemming - in casu als bouwgrond - wordt gebezigd, kan niet als juist worden aanvaard, daar te dezen niet de door de ondernemer beoogde, doch de feitelijke bestemming bepalend is.

4. Proceskosten De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken.

5. Beslissing De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is op 9 oktober 1996 vastgesteld door de vice-president R.J.J. Jansen als voorzitter en de raadsheren Van der Linde, De Moor, Van der Putt-Lauwers en Van Brunschot, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Van Hooff, en op die datum in het openbaar uitgesproken.