Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:1996:AA2021

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
03-04-1996
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
31200
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BNB 1997/33
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

gewezen op het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Arnhem van 29 maart 1995 betreffende de na te melden aan X te Z voor het jaar 1990 opgelegde aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.

1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof Aan belanghebbende is voor het jaar 1990 een aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen van ƒ 84.939,--, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd. Belanghebbende is van de uitspraak van de Inspecteur in beroep gekomen bij het Hof. Het Hof heeft de aanslag verminderd tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen van ƒ 83.768,--.

2. Geding in cassatie De Staatssecretaris van Financiën heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld en daarbij een middel van cassatie voorgesteld. Belanghebbende heeft een vertoogschrift ingediend.

3. Beoordeling van het middel 3.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan. Belanghebbende was in het onderhavige jaar (1990) werkzaam als leraar klassieke talen en had een aanstelling voor 20 lesuren tegen een jaarsalaris van ƒ 65.154,--. Daarnaast genoot belanghebbende een invaliditeitspensioen ten bedrage van ƒ 28.469,--. In zijn eigen woning beschikte belanghebbende over kantoorruimte, welke ruimte hij gebruikte voor correctiewerk, lesvoorbereiding en dergelijke. In zijn aangifte heeft belanghebbende de kosten die samenhangen met de kantoorruimte tot de aftrekbare kosten gerekend. 3.2. 's Hofs oordeel dat ruimten als een docentenkamer, op bepaalde uren leegstaande klaslokalen en een voor de leerlingen bedoeld lees- en documentatievertrek, niet als kantoorruimte in de zin van artikel 36, lid 1, letter b, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (hierna: de Wet), kunnen worden aangemerkt, kan niet als juist worden aanvaard. Overeenkomstig hetgeen de Hoge Raad heeft geoordeeld in zijn arrest van 15 februari 1995, nr. 30 089, BNB 1995/96 moeten dergelijke ruimten worden aangemerkt als een belanghebbende buiten de woning ter beschikking staande kantoorruimte in voormelde zin.

3.3. Het Hof heeft voorts geoordeeld dat belanghebbende het gezamenlijke bedrag van zijn inkomsten uit arbeid in het jaar 1990 grotendeels in of vanuit de kantoorruimte in zijn woning verwierf. 3.4. Uit de bestreden uitspraak wordt evenwel niet duidelijk of het Hof bij dat oordeel de voor een geval als het onderhavige juiste maatstaf heeft aangelegd te weten: of belanghebbende meer dan 50 percent van zijn werktijd in de kantoorruimte thuis heeft doorgebracht (HR 27 april 1994, nr. 29 210, BNB 1994/193), en of het deel van de inkomsten dat kan worden toegerekend aan de in die kantoorruimte verrichte arbeid meer dan 50 percent vormt van het gezamenlijke bedrag van zijn inkomsten uit arbeid, waartoe ook de inkomsten uit vroegere arbeid behoren. Het middel is gegrond. De uitspraak van het Hof kan niet in stand blijven. Verwijzing moet volgen.

4. Proceskosten De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken.

5. Beslissing De Hoge Raad vernietigt de uitspraak van het Hof, behoudens de beslissingen omtrent het griffierecht en de proceskosten, verwijst het geding naar het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch ter verdere behandeling en beslissing van de zaak in meervoudige kamer met inachtneming van dit arrest en bepaalt dat door de Griffier van de Hoge Raad aan de Staatssecretaris van Financiën wordt terugbetaald het ter zake van de vervanging van de mondelinge uitspraak bij het Hof gestorte bedrag van ƒ 150,--.

Dit arrest is op 3 april 1996 vastgesteld door de vice-president Stoffer als voorzitter, en de raadsheren Fleers en Pos, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Loen, en op die datum in het openbaar uitgesproken.