Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:1996:AA2013

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
01-05-1996
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
31167
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BNB 1996/221
FED 1996/400
WFR 1996/683
V-N 1996/1828, 11 met annotatie van Redactie
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

gewezen op het beroep in cassatie van X te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 13 maart 1995 betreffende de hem voor het jaar 1990 opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.

1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof Aan belanghebbende is voor het jaar 1990 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen van ƒ 405.910,--, waarvan een bedrag van ƒ 359.219,-- belast naar het tarief van artikel 57, lid 2, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd. Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof, dat deze uitspraak heeft bevestigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De Staatssecretaris van Financiën heeft bij vertoogschrift het cassatieberoep bestreden.

3. Beoordeling van het middel van cassatie 3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan: Belanghebbende exploiteerde een appartementencomplex te Z. Als zodanig genoot hij winst uit onderneming in de zin van artikel 6 van de Wet op de inkomstenbelasting 1964. Bij schriftelijke overeenkomst, gesloten op 22 december 1989, heeft belanghebbende dit appartementencomplex verkocht. De eigendomsoverdracht vond plaats op 7 mei 1990.

3.2. Het middel stelt aan de orde de vraag of het Hof terecht heeft geoordeeld dat het bij de overdracht van de onderneming behaalde resultaat als winst van het onderhavige jaar (1990) in aanmerking dient te worden genomen. Het middel betoogt dat 's Hofs oordeel miskent dat belanghebbende - die voormeld resultaat in aanmerking wenste te nemen in het jaar (1989) waarin de obligatoire overeenkomst tot overdracht werd gesloten, voor welk jaar hij in verband hiermee accoord ging met het opleggen van een navorderingsaanslag - de keuze had dat resultaat tot uitdrukking te brengen in dat jaar in plaats van in 1990, het jaar waarin de overdracht plaatsvond. Nu belanghebbende nadat de aanslag voor het jaar 1989 was vastgesteld wenste terug te komen op zijn keuze dit resultaat in het jaar 1990 in aanmerking te nemen, bestond niet meer de mogelijkheid het resultaat in 1989 tot uitdrukking te brengen. Het middel kan mitsdien niet tot cassatie leiden.

4. Proceskosten De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken.

5. Beslissing De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is op 1 mei 1996 vastgesteld door de vice-president R.J.J. Jansen als voorzitter, en de raadsheren Van der Linde en Bellaart, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Van Hooff, en op die datum in het openbaar uitgesproken.