Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:1996:AA2003

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
10-04-1996
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
31206
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BNB 1996/195
FED 1996/351
WFR 1996/565, 2
V-N 1996/1622, 18 met annotatie van Redactie
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

gewezen op het beroep in cassatie van X te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 16 maart 1995 betreffende de hem voor het jaar 1991 opgelegde aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.

1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof Aan belanghebbende is voor het jaar 1991 een aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen van ƒ 61.211,--, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd. Belanghebbende is van de uitspraak van de Inspecteur in beroep gekomen bij het Hof. Het Hof heeft die uitspraak bevestigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De Staatssecretaris van Financiën heeft een vertoogschrift ingediend.

3. Beoordeling van de klachten 3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan. Belanghebbende was gedurende het gehele jaar 1991 werkzaam als leraar Nederlands aan een middelbare school. Zijn inkomsten uit deze dienstbetrekking bedroegen ƒ 59.878,--. Daarnaast verrichtte belanghebbende in dat jaar tegen betaling van in totaal ƒ 5.790,-- buiten dienstbetrekking werkzaamheden als docent en examinator publiekrecht. Belanghebbende beschikte gedurende het gehele jaar in zijn woning over een kantoorruimte als bedoeld in artikel 36, lid 1, onderdeel b, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964. In die kantoorruimte verrichtte hij werkzaamheden ten behoeve van beide functies. De inkomsten ten bedrage van ƒ 5.790,-- heeft hij voor een gedeelte groot ƒ 4.211,-- in of vanuit de kantoorruimte verworven. 3.2. Uitgaande van deze feiten en van de juistheid van belanghebbendes stelling dat zijn werktijd op school 855 uren bedroeg heeft het Hof voor het antwoord op de partijen verdeeld houdende vraag of de met de kantoorruimte thuis verband houdende kosten tot belanghebbendes aftrekbare kosten behoren terecht beslissend geacht of belanghebbende ten minste het aantal uren dat overeenstemt met inkomsten ten bedrage van (ƒ 65.668,-- : 2 - ƒ 4.211,-- =) ƒ 28.623,--, dat wil zeggen ten minste 783 uren, ten behoeve van zijn dienstbetrekking werkzaam is geweest in zijn kantoorruimte thuis (vergelijk HR 27 april 1994, nr. 29 210, BNB 1994/193 en HR 15 februari 1995, nr. 30 089, BNB 1995/96). 3.3. Het Hof heeft geoordeeld dat belanghebbende dit laatste niet aannemelijk heeft gemaakt. Dit oordeel berust op de aan het Hof voorbehouden waardering van de bewijsmiddelen en behoefde geen nadere motivering dan door het Hof is gegeven, zodat het in cassatie niet met vrucht kan worden bestreden. De in de toelichting op het middel vervatte klacht dat het Hof zijn oordeel baseert op een algemeen rapport en daardoor de belanghebbende in een nadelige positie brengt ten opzichte van de Inspecteur, berust op onjuiste lezing van de uitspraak. In de aangevallen overweging ontleent het Hof geen argumenten voor zijn oordeel aan het bedoelde rapport, maar verwerpt het alleen de stelling van belanghebbende dat het rapport steun biedt voor diens standpunt. Beide onderdelen van het middel falen derhalve.

4. Proceskosten De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken.

5. Beslissing De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is op 10 april 1996 vastgesteld door de vice-president Stoffer als voorzitter, en de raadsheren Fleers en Pos, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Boorsma, en op die datum in het openbaar uitgesproken.