Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:1996:AA2002

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
23-08-1996
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
31280
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wet op de omzetbelasting 1968 31, geldigheid: 1996-08-23
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BNB 1997/171
FED 1997/246
V-N 1997/1670, 21

Uitspraak

gewezen op het beroep in cassatie van X te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Arnhem van 28 april 1995 betreffende na te melden naheffingsaanslag in de omzetbelasting.

1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof Aan belanghebbende is over het tijdvak 1 januari 1992 tot en met 31 december 1992 een naheffingsaanslag in de omzetbelasting opgelegd ten bedrage van ƒ 20.661,--, zonder verhoging, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd. Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof, dat deze uitspraak heeft bevestigd.

2. Geding in cassatie Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld en daarbij een middel van cassatie voorgesteld. De Staatssecretaris van Financiën heeft bij vertoogschrift het cassatieberoep bestreden. 3. Beoordeling van het middel van cassatie 3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan: Belanghebbende heeft van 1 januari 1991 tot en met 23 maart 1992 een supermarkt geëxploiteerd. Zij had daartoe een overeenkomst gesloten met B B.V., grossier in levensmiddelen. Zij huurde het winkelpand van B B.V. en was verplicht de handelsvoorraden grotendeels van B B.V. te betrekken. Deze zorgde voorts voor de financiering van de inrichting en de inventaris van de winkel. Belanghebbende was contractueel verplicht bij eventuele beëindiging van de bedrijfsuitoefening voorraad en inventaris aan B B.V. te koop aan te bieden. In maart 1992 heeft belanghebbende de exploitatie van de supermarkt beëindigd. Bij overeenkomst van 16 maart 1992 heeft zij de inventaris en de handelsvoorraad verkocht aan B B.V. Belanghebbende heeft de feitelijke exploitatie voortgezet tot 23 maart 1992. Op de ochtend van 23 maart is de winkel gesloten geweest in verband met de inventarisatie van de voorraad. Dezelfde middag is de winkel heropend. Het personeel is gebleven. De exploitatie van de supermarkt is spoedig daarna voortgezet door D, met wie B B.V. inmiddels een samenwerkingsovereenkomst had gesloten. D heeft ook het winkelpand van B B.V. gehuurd. In de overeenkomst van 16 maart 1992 heeft belanghebbende geen omzetbelasting aan B B.V. in rekening gebracht. Belanghebbende heeft ook ter zake van de levering van de inventaris en de voorraad op 23 maart 1992 geen factuur uitgereikt waarop op enigerlei wijze melding is gemaakt van omzetbelasting. B B.V. gaat ervan uit dat ter zake van de overdracht van de inventaris en de voorraad omzetbelasting moet worden geheven en heeft ter zake ƒ 22.124,-- aan omzetbelasting in aftrek gebracht. Zij heeft de overnameprijs en het bedrag van de omzetbelasting dat zij op een door haar opgemaakte creditnota had vermeld, niet in contanten aan belanghebbende uitbetaald, maar op haar vordering op belanghebbende in mindering gebracht.

3.2. Het Hof heeft geoordeeld dat de gang van zaken in februari en maart 1992, zoals door belanghebbende is geschetst, geen ruimte laat voor de gevolgtrekking dat voor de toepassing van artikel 31 van de Wet op de omzetbelasting 1968 (hierna: de Wet) dient te worden aangenomen dat belanghebbende de supermarktexploitatie rechtstreeks aan D heeft overgedragen en dat B B.V. daarbij slechts als intermediair heeft gefungeerd. Voor zover het middel dit oordeel bestrijdt, faalt het, aangezien 's Hofs oordeel niet blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting en als verweven met waarderingen van feitelijke aard voor het overige in cassatie niet op zijn juistheid kan worden getoetst.

3.3. Het Hof heeft vervolgens geoordeeld dat, nu ervan moet worden uitgegaan dat de onderneming aan B B.V. is overgedragen, in het onderhavige geval van een voortzetten van de overgedragen onderneming in de zin van artikel 31 van de Wet niet kan worden gesproken. Voor zover dit middel dit oordeel bestrijdt, faalt het eveneens, aangezien 's Hofs oordeel niet blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting en als verweven met waarderingen van feitelijke aard voor het overige in cassatie niet op zijn juistheid kan worden getoetst.

4. Proceskosten De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken.

5. Beslissing De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is op 23 augustus 1996 vastgesteld door de raadsheer Van der Linde als voorzitter en de raadsheren De Moor en Van der Putt-Lauwers, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Van Hooff, en op die datum in het openbaar uitgesproken.