Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:1996:AA1996

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
30-08-1996
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
31316
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

gewezen op het beroep in cassatie van X te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 28 februari 1995 betreffende de hem voor het jaar 1988 opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting.

1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof Aan belanghebbende is voor het jaar 1988 een aanslag in de inkomstenbelasting opgelegd naar een belastbaar inkomen van ƒ 1.439.419,--, waarvan een bedrag van ƒ 1.278.000,-- belast naar het tarief van artikel 57, lid 4, (tekst 1988) van de Wet op de inkomstenbelasting 1964, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd. Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof, dat deze uitspraak heeft bevestigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De Staatssecretaris van Financiën heeft bij vertoogschrift het cassatieberoep bestreden.

3. Beoordeling van het middel van cassatie 3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan: Na de partiële scheiding en deling van de door het overlijden van zijn echtgenote ontbonden huwelijksgemeenschap en de daarin begrepen nalatenschap van deze echtgenote, bezat belanghebbende, sinds 18 januari 1988, de volle eigendom van 75 aandelen in A B.V. (hierna: de vennootschap), alsmede het levenslange vruchtgebruik van de overige 75 aandelen (hierna: de vruchtgebruikaandelen) in deze vennootschap. Belanghebbendes kinderen bezaten de blote eigendom van deze vruchtgebruikaandelen. Tevens had belanghebbende het stemrecht van alle (150) aandelen, hetgeen volgens artikel 8, lid 9, van de statuten van de vennootschap tot gevolg had dat belanghebbende met betrekking tot de vruchtgebruikaandelen dezelfde rechten had als door de wet zijn toegekend aan de houders van met medewerking van de vennootschap uitgegeven certificaten van aandelen. Op 24 februari 1988 is een notariële akte verleden, waarin een verkoopovereenkomst en eigendomsoverdracht is vastgelegd tussen belanghebbende en zijn kinderen enerzijds en B B.V. anderzijds. Volgens deze akte hebben belanghebbende en zijn kinderen de vruchtgebruikaandelen verkocht tegen een koopsom van ƒ 1.850.000,-- en in volle en vrije eigendom overgedragen. In de akte is niet aangegeven welk deel van de koopsom aan belanghebbende respectievelijk aan elk van de kinderen toekwam. Evenmin blijkt uit de akte of door en na de daarin vastgelegde verkoopovereenkomst en eigendomsoverdracht het recht van vruchtgebruik van belanghebbende is geëindigd dan wel dat dit recht is blijven rusten op de vermogenswaarden waarin voormelde koopsom is belegd.

3.2. Voor het Hof was tussen partijen in geschil of belanghebbende door de in de akte van 24 februari 1988 neergelegde verkoopovereenkomst winst uit aanmerkelijk belang heeft genoten.

3.3. Het Hof heeft overwogen: dat belanghebbende op het tijdstip van de verkoopovereenkomst, verwoord in de notariële akte van 24 februari 1988, aandeelhouder was voor de helft van het nominaal gestorte aandelenkapitaal van de vennootschap; dat hij deze helft in volle eigendom bezat; dat belanghebbende daardoor op bedoeld tijdstip in de vennootschap een aanmerkelijk belang had als bedoeld in artikel 39, lid 3, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (hierna: de Wet); dat belanghebbende direct voorafgaande aan de verkoopovereenkomst bovendien het levenslange recht van vruchtgebruik op de andere helft van het aandelenkapitaal van de vennootschap had, zijnde de vruchtgebruikaandelen; dat belanghebbende bij die overeenkomst ofwel dit recht aan B B.V. heeft verkocht, ofwel heeft ingestemd met verkoop door de bloot-eigenaren van de vruchtgebruikaandelen onder voorwaarde dat de verkoopprijs zou gaan behoren tot het met vruchtgebruik belaste vermogen; dat partijen van mening verschillen over de uitleg van bedoelde overeenkomst, doch in beide interpretaties het recht van vruchtgebruik van belanghebbende op de vruchtgebruikaandelen is beëindigd en hetzij is vervangen door een deel van de koopsom, hetzij door een recht van vruchtgebruik op andere vermogenswaarden; dat in beide interpretaties de overeenkomst ertoe heeft gestrekt van belanghebbende op B B.V. rechten te doen overgaan - waaronder het recht op dividend en het stemrecht op de vruchtgebruikaandelen - welke deel uit maken van het complex van rechten dat in de vruchtgebruikaandelen ligt besloten, zodat sprake is van een vervreemding in de zin van artikel 39, lid 1, van de Wet, waarbij zo nodig, indien zou moeten worden geoordeeld dat een overdrachtsprijs ontbreekt, krachtens lid 5 van dat wetsartikel de waarde in het economische verkeer als overdrachtsprijs moet worden aangemerkt; dat vorenbedoelde rechten, te zamen met de rechten die belanghebbende ontleent aan het bezit (in volle eigendom) van de helft van het nominaal gestorte aandelenkapitaal van de vennootschap, deel uitmaken van het totaal van rechten welke het aanmerkelijk belang in de zin van artikel 39, lid 1, van de Wet vormen en de vervreemding daarvan derhalve winst uit aanmerkelijk belang is.

3.4. Nu, gelijk de Hoge Raad heeft beslist in zijn arresten van 21 december 1966, BNB 1967/69, en 3 mei 1995, BNB 1995/334, een vruchtgebruiker niet als aandeelhouder is aan te merken, kan een voordeel, behaald bij de vervreemding van het recht van vruchtgebruik op een aandelenpakket, niet worden aangemerkt als een voordeel uit de vervreemding van de desbetreffende aandelen, en derhalve niet als een voordeel als bedoeld in artikel 39, lid 1, van de Wet. Het middel is derhalve gegrond. 's Hofs uitspraak kan niet in stand blijven. De Hoge Raad kan zelf de zaak afdoen.

4. Proceskosten De Hoge Raad acht termen aanwezig om ten aanzien van de proceskosten die belanghebbende in verband met het geding in cassatie en het geding voor het Hof redelijkerwijs heeft moeten maken, te beslissen als hierna zal worden vermeld.

5. Beslissing De Hoge Raad vernietigt de uitspraak van het Hof alsmede die van de Inspecteur, vermindert de aanslag tot een aanslag naar een belastbaar inkomen van ƒ 161.419,--, gelast dat door de Staatssecretaris van Financiën aan belanghebbende wordt vergoed het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie verschuldigd geworden griffierecht van ƒ 300,--, alsmede het bij het Hof gestorte griffierecht ter zake van de behandeling van de zaak voor het Hof ten bedrage van ƒ 75,--, derhalve in totaal ƒ 375,--, veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op ƒ 2.840,-- voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand, veroordeelt voorts de Inspecteur in de kosten van het geding voor het Hof aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op ƒ 2.840,-- voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand, en wijst aan de Staat als de rechtspersoon die de bij het Hof gemaakte kosten moet vergoeden. Dit arrest is op 30 augustus 1996 vastgesteld door de vice-president R.J.J. Jansen als voorzitter, en de raadsheren Van der Linde, Bellaart, Van der Putt-Lauwers en Van Brunschot, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Van Hooff, en op die datum in het openbaar uitgesproken.