Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:1996:AA1986

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
16-08-1996
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
31397
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Algemene wet inzake rijksbelastingen 16, geldigheid: 1996-08-16
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BNB 1996/341
FED 1996/673
FED 1996/818
WFR 1996/1213, 2
V-N 1996/3230, 4

Uitspraak

gewezen op het beroep in cassatie van X te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Arnhem van 15 juni 1995 betreffende na te melden navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting.

1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof Belanghebbende is aanvankelijk in de inkomstenbelasting voor het jaar 1989 aangeslagen naar een belastbaar inkomen van ƒ 275.028,--, waarbij in verband met de naar het tarief van artikel 57, lid 2, (tekst 1989) van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (hierna: de Wet) te berekenen belasting over ƒ 280.013,--, de belasting op ƒ 51.638,-- is vastgesteld, onder vermeerdering daarvan met desinvesteringsbetalingen ten bedrage van ƒ 57.858,--. Aan belanghebbende is over dat jaar een navorderingsaanslag zonder verhoging opgelegd, waarbij, onder handhaving van de overige elementen van de aanslag, de naar het tarief van artikel 57, lid 2, van de Wet berekende belasting over de belastbare som op

ƒ 73.977,-- is vastgesteld. Deze aanslag is, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur gehandhaafd. Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof, dat deze uitspraak heeft bevestigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De Staatssecretaris van Financiën heeft bij vertoogschrift het cassatieberoep bestreden.

3. Beoordeling van de middelen van cassatie 3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan: In een bijlage bij belanghebbendes aangiftebiljet voor het jaar 1989 was de verschuldigde inkomstenbelasting over dat jaar berekend op ƒ 130.133,--. De Inspecteur heeft bij het vaststellen van de aanslag de aangifte gevolgd en het standpunt ingenomen dat op een inkomensbestanddeel ter grootte van ƒ 280.013,-- het tarief van artikel 57, lid 2, van de Wet toepassing kon vinden. Hij had echter verzuimd op de zogenoemde elementennota de inkomensgegevens van de vier voorafgegane jaren te vermelden. Dit leidde tot de melding aan de Inspecteur door het computercentrum te Apeldoorn dat de elementennota een fout bevatte. Vervolgens werd de aanslag met behulp van een computerprogramma door een administratieve ambtenaar op de eenheid berekend, maar ook daarbij werd nagelaten de vorenbedoelde inkomensgegevens in aanmerking te nemen. De fout leidde tot vaststelling van een bijzonder tarief van 20% in plaats van 28,652% en vaststelling van belanghebbendes aanslag op ƒ 107.794,--.

3.2. Voor het Hof was tussen partijen in geschil of de Inspecteur bevoegd was de te weinig geheven belasting na te vorderen.

3.3. Het Hof heeft overwogen: dat belanghebbende het verschil tussen de belastingbedragen ƒ 130.133,-- en ƒ 107.794,-- onmiddellijk heeft opgemerkt; dat, nadat zijn nieuwe gemachtigde het verschil niet kon verklaren, zijn voormalige gemachtigde die het bedrag van ƒ 130.133,-- had opgegeven, hem heeft medegedeeld dat de belastingdienst een fout bijzonder tarief had toegepast; dat belanghebbende op de vraag van de gemachtigde of hierover contact met de belastingdienst kon worden opgenomen niet is ingegaan; dat het niet-invullen door de aanslagregelaar van de inkomensgegevens op de elementennota een vergissing inhield die is gelijk te stellen met een schrijf- of tikfout; dat deze vergissing tot de onjuiste aanslag heeft geleid; dat daaraan de omstandigheid dat de administratieve verwerking van de foutmelding niet tot correctie van de vergissing heeft geleid niet afdoet; dat het belanghebbende, aan wie het verschil tussen het opgegeven en het vastgestelde bedrag onmiddellijk is opgevallen, na raadpleging van zijn oorspronkelijke gemachtigde duidelijk was dat een fout was gemaakt die niet berustte op een onjuist inzicht van de Inspecteur in de feiten of in het recht; dat de Inspecteur derhalve, gelet op het arrest van de Hoge Raad van 6 juni 1973, BNB 1973/161, tot navordering was bevoegd.

3.5. Het eerste middel is gericht tegen het oordeel van het Hof dat het niet-invullen door de aanslagregelaar van de inkomensgegevens op de elementennota een vergissing inhield die is gelijk te stellen met een schrijf- of tikfout. Dit oordeel is van feitelijke aard en niet onbegrijpelijk, zodat het in cassatie niet met vrucht kan worden bestreden. Het middel faalt derhalve.

3.6. Het in het tweede middel bestreden oordeel dat het belanghebbende, aan wie het verschil tussen het opgegeven en het vastgestelde bedrag onmiddellijk is opgevallen, na raadpleging van zijn oorspronkelijke gemachtigde duidelijk was dat een fout was gemaakt die niet berustte op een onjuist inzicht van de Inspecteur in de feiten of in het recht, is eveneens van feitelijke aard en niet onbegrijpelijk, en kan derhalve in cassatie evenmin met vrucht worden bestreden. Ook het tweede middel faalt derhalve.

4. Proceskosten De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken.

5. Beslissing De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is op 16 augustus 1996 vastgesteld door de vice-president R.J.J. Jansen als voorzitter en de raadsheren Van der Linde, Bellaart, De Moor en Van Brunschot, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Van Hooff, en op die datum in het openbaar uitgesproken.