Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:1996:AA1984

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
02-10-1996
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
31400
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BNB 1997/130
FED 1997/181
FED 1997/237
V-N 1997/1363, 13

Uitspraak

gewezen op het beroep in cassatie van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid X B.V. te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Arnhem van 7 juni 1995 betreffende na te melden naheffingsaanslag in de dividendbelasting.

1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof Aan belanghebbende is over het tijdvak 1993 een naheffingsaanslag in de dividendbelasting opgelegd ten bedrage van ƒ 750,--, zonder verhoging, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd. Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof, dat deze uitspraak heeft bevestigd.

2. Geding in cassatie Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld en daarbij een middel van cassatie voorgesteld. De Staatssecretaris van Financiën heeft bij vertoogschrift het cassatieberoep bestreden.

3. Beoordeling van het middel van cassatie 3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan: Op 10 oktober 1985 heeft B, enig aandeelhouder van C B.V., H B.V., D B.V. en E B.V., van welke vennootschappen het fiscaal erkend gestort kapitaal respectievelijk ƒ 25.000,--, ƒ 60.000,--, ƒ 3.750.000,-- en ƒ 45.032.000,-- bedroeg, de Inspecteur der vennootschapsbelasting te P verzocht de voorgenomen inbreng van de aandelen van deze vennootschappen in de op te richten besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid X B.V. (hierna: belanghebbende) aan te merken als een fusie als bedoeld in artikel 40 van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (hierna: de Wet). De Inspecteur heeft dit verzoek op 4 december 1985 ingewilligd. B heeft aan zijn verplichting tot volstorting van de bij hem geplaatste aandelen in belanghebbende voldaan door inbreng van zijn aandelen in eerdergenoemde vennootschappen. Uitgaande van aan H B.V. en D B.V. toegekende inbrengwaarden van respectievelijk ƒ 60.208.000,-- en ƒ 3.549.000,-- en een inbrengwaarde van nihil voor C B.V. en E B.V., beliep de totale inbrengwaarde ten minste ƒ 63.757.000,--. Belanghebbende neemt het standpunt in dat haar fiscaal erkend gestort kapitaal na inbreng ƒ 48.867.000,-- bedraagt; de Inspecteur stelt dit bedrag op ƒ 3.609.000,--. Bij statutenwijziging van 12 april 1990 is belanghebbendes aandelenkapitaal verminderd tot ƒ 35.262.810,-- nominaal. In het kader van een compromis is overeengekomen dat het fiscaal erkend gestort kapitaal van belanghebbende ultimo 1992 nihil bedraagt indien de Inspecteur in het gelijk wordt gesteld, dan wel ƒ 35.263.000,-- bedraagt indien het standpunt van belanghebbende wordt gevolgd. Op 28 mei 1993 heeft belanghebbende ƒ 3.000,-- ten laste van haar gestorte kapitaal aan haar aandeelhouder B terugbetaald. Er was op deze datum geen zuivere winst aanwezig.

3.2. Voor het Hof was tussen partijen in geschil of, zoals de Inspecteur verdedigt, ingeval het gestorte kapitaal op ingebrachte aandelen de inbrengwaarde daarvan overtreft, slechts die inbrengwaarde als op de uitgegeven aandelen gestort kapitaal kan worden aangemerkt en of het fiscaal erkend gestort kapitaal moet worden bepaald per vennootschap waarvan de aandelen worden ingebracht. Voorts was in geschil of de Inspecteur bij belanghebbende het gerechtvaardigd vertrouwen heeft gewekt dat hij met de door haar voorgestane wijze van berekening van het fiscaal erkend gestort kapitaal heeft ingestemd en of belanghebbende terecht het standpunt inneemt dat de inbrengwaarde van de aandelen E B.V. ten minste ƒ 45.032.000,-- bedroeg.

3.3. Het Hof heeft onder meer overwogen: dat ingeval een storting op aandelen in een vennootschap in aandelen van een andere vennootschap bestaat, in beginsel fiscaal als gestort kapitaal geldt de waarde van de ingebrachte aandelen; dat artikel 44 van de Wet vervolgens blijkens zijn bewoordingen regelt dat "slechts", dat wil zeggen niet meer dan, het op de ingebrachte aandelen gestorte kapitaal in aanmerking wordt genomen; dat noch de bewoordingen, noch de strekking van het voorschrift (te voorkomen dat een fiscale claim op winstreserves van een geabsorbeerde vennootschap verloren gaat) rechtvaardigen meer dan de waarde van de ingebrachte aandelen fiscaal als gestort kapitaal in aanmerking te nemen; dat voorts noch de bewoordingen, noch de strekking van het voorschrift rechtvaardigen het niet per vennootschap waarvan de aandelen worden ingebracht toe te passen, maar voor een aantal vennootschappen waarvan de aandelen tegelijkertijd worden ingebracht.

3.4. Voor zover het middel zich tegen deze oordelen richt, faalt het. De strekking van artikel 44 van de Wet is bij volstorting van aandelen met aandelen de fiscale claim op de winstreserves van de vennootschap waarvan de aandelen voor storting worden aangewend te bewaren. Die strekking brengt mede dat, zoals in de tekst van het artikel met het woord "slechts" tot uitdrukking is gebracht, als gestort kapitaal bij de vennootschap waarvan de aandelen worden volgestort geen hoger bedrag in aanmerking kan komen dan het werkelijk op de uitgegeven aandelen gestorte bedrag, en voorts dat indien, zoals hier, volstorting geschiedt met aandelen in verschillende vennootschappen de werking van het artikel ten aanzien van die onderscheiden aandelenpakketten afzonderlijk moet worden bezien. Het middel faalt ook voor het overige. Zulks behoeft, gezien artikel 101a van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu het in zoverre niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4. Proceskosten De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken.

5. Beslissing De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is op 2 oktober 1996 vastgesteld door de vice-president R.J.J. Jansen als voorzitter, en de raadsheren Van der Linde, De Moor, Van der Putt-Lauwers en Van Brunschot, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Van Hooff, en op die datum in het openbaar uitgesproken.