Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:1996:AA1965

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
17-04-1996
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
31030
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Algemene wet inzake rijksbelastingen 27 (oud)
Wet op de omzetbelasting 1968 4
Wet op de omzetbelasting 1968 6
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BNB 1996/230 met annotatie van M.E. VAN HILTEN
FED 1996/438 met annotatie van W.A.P. NIEUWENHUIZEN
FED 1996/368
WFR 1996/609
V-N 1996/1692, 7 met annotatie van Redactie
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

gewezen op het beroep in cassatie van de fiscale eenheid X Holding B.V., X Beheer B.V. c.s. te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 19 januari 1995 betreffende na te melden naheffingsaanslag in de omzetbelasting.

1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof Aan belanghebbende is over het tijdvak 1 januari 1985 tot en met 31 december 1987 een naheffingsaanslag in de omzetbelasting opgelegd ten bedrage van ƒ 252.401,-- aan enkelvoudige belasting, met een verhoging van 100 percent, waarvan tot op ƒ 63.100,-- kwijtschelding is verleend. De aanslag is, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur gehandhaafd, met het besluit voornoemde verhoging verder kwijt te schelden tot op ƒ 10.381,--. Belanghebbende is tegen die uitspraak en dat besluit in beroep gekomen bij het Hof, dat deze uitspraak heeft vernietigd, de naheffingsaanslag heeft verminderd met ƒ 34.008,-- aan enkelvoudige belasting, en het beroep voor zover het de verhoging betreft ongegrond heeft verklaard. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De Staatssecretaris van Financiën heeft bij vertoogschrift het cassatieberoep bestreden, met uitzondering van de klacht omtrent de verhoging.

3. Beoordeling van de middelen van cassatie 3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan: Belanghebbende is exploitante van een autotransport- en bergingsbedrijf, in welke hoedanigheid zij zich tevens bezighoudt met het afvoeren van afval van bedrijven en gemeenten. In het onderwerpelijke tijdvak heeft zij tegen vergoeding op grond van een met de gemeente Q (hierna: de gemeente) gesloten overeenkomst inhoudende de verhuur van containers ten behoeve van de vuilnisafvoer, het transport van vuilnis vanaf het overlaadstation naar haar vuilstortplaats te R of elders ter verwerking van het aangevoerde vuilnis, jegens de gemeente prestaties verricht. De verwerking van het aangevoerde vuilnis hield in dat de containers werden gelost door het afstorten van de inhoud daarvan op de vuilstortplaats. Slechts ter zake van het in gebruik geven van containers heeft belanghebbende de aan de gemeente in rekening gebrachte omzetbelasting op aangifte voldaan. De Inspecteur heeft, zich op het standpunt stellend dat naast de verhuur van containers één prestatie wordt verricht, te weten het afvoeren van huisvuil, welke prestatie belast dient te worden naar het algemene tarief, het verschil in omzetbelasting in de onderwerpelijke naheffingsaanslag begrepen.

3.2.1. Uitgaande van de door belanghebbende met de gemeente gesloten overeenkomst heeft het Hof geoordeeld dat belanghebbende voor de heffing van de omzetbelasting een onsplitsbaar samenstel van handelingen verricht, dat dient te worden aangemerkt als één prestatie, te weten het tegen vergoeding in door belanghebbende daartoe ter beschikking gestelde containers afvoeren van in de gemeente vrijgekomen huisvuil, en dat in dit oordeel ligt besloten - aldus het Hof - dat partijen een fiscaal juridisch onjuist standpunt huldigen door de terbeschikkingstelling van de containers als een voor de heffing van omzetbelasting afzonderlijke prestatie in aanmerking te nemen.

3.2.2. Tegen deze oordelen richten zich de middelen I en II met het betoog dat het Hof ten onrechte heeft geoordeeld dat de drie door belanghebbende ten behoeve van de gemeente verrichte handelingen dienen te worden aangemerkt als één prestatie. Dienaangaande heeft het volgende te gelden. Indien sprake is van een geheel van prestaties, waarin onderdelen zijn te onderkennen die op zich als een dienstverrichting kunnen worden beschouwd, dienen in het algemeen die onderdelen ieder als zodanig in de heffing van omzetbelasting te worden betrokken. Zulks lijdt uitzondering indien bedoelde onderdelen functioneel en causaal met elkaar verbonden zijn, dan wel een van die onderdelen de andere onderdelen sterk overheerst, in welke gevallen het geheel van de prestaties in de heffing dient te worden betrokken. In het onderhavige geval kan niet worden gezegd dat de verhuur van containers functioneel en causaal met het transport en de verwerking van vuilnis is verbonden, en evenmin dat een der door belanghebbende ten behoeve van de gemeente verrichte handelingen de andere handelingen sterk overheerst. Er is derhalve geen reden de verhuur van containers te zamen met de overige prestaties van belanghebbende als één prestatie te beschouwen. De middelen I en II zijn in zoverre gegrond maar kunnen nochtans niet tot cassatie leiden. Het transport van de met vuilnis gevulde containers van het overlaadstation naar een vuilstortplaats en de verwerking van dat vuilnis bestaande uit het lossen van de containers op de vuilstortplaats dienen te worden beschouwd als één dienst, nu het lossen van de containers causaal en functioneel met het transport van de containers is verbonden. Nu de feiten geen andere gevolgtrekking toelaten dan dat de gemeente zich wenst te ontdoen van het vuilnis en de door belanghebbende verrichte dienst zulks bewerkstelligt, dient die dienst te worden aangemerkt als het afvoeren van vuilnis. Die dienst wordt, gelet op artikel 6, lid 1, van de Wet op de omzetbelasting 1968 in Nederland verricht en is belast naar het algemene tarief, welk tarief ook het Hof van toepassing heeft geacht, zodat in zoverre de middelen tevergeefs worden voorgesteld.

3.3.1. Het Hof heeft voorts geoordeeld met betrekking tot de na verdere kwijtschelding resterende verhoging ad ƒ 10.381,--, dat, nu de gemachtigde van belanghebbende blijkens het gestelde in het bezwaarschrift het geschil omtrent de opgelegde verhoging beperkt tot dat gedeelte van de verhoging, dat is belopen ter zake van de thans in geschil zijnde prestaties, zij doordat zij zelf het geschil dienaangaande uitdrukkelijk heeft beperkt tot het bedrag dat bij de uitspraak op bezwaar is kwijtgescholden, afstand heeft gedaan van haar recht om in beroep de resterende verhoging in het geding te brengen.

3.3.2. Dit oordeel wordt door middel III terecht bestreden. Nu belanghebbende in haar aanvullend beroepschrift bezwaar heeft gemaakt tegen de opgelegde verhoging, is zij ontvankelijk in haar beroep tegen het kwijtscheldingsbesluit. Daaraan doet niet af dat zij in haar bezwaarschrift slechts tegen een gedeelte van de verhoging is opgekomen. Het Hof heeft derhalve belanghebbende te dier zake ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard.

3.4. Gelet op het hiervóór in 3.3.2 overwogene kan 's Hofs uitspraak niet in stand blijven. Verwijzing moet volgen. Het verwijzingshof dient te onderzoeken of en zo ja in hoeverre de verhoging dient te worden verminderd.

4. Proceskosten De Hoge Raad acht, gelet op de inhoud van het procesdossier, termen aanwezig om ten aanzien van de proceskosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het beroep in cassatie redelijkerwijs heeft moeten maken, te beslissen als hierna zal worden vermeld.

5. Beslissing De Hoge Raad vernietigt de uitspraak van het Hof, behoudens de beslissing omtrent het griffierecht en de beslissing omtrent de proceskosten, verwijst het geding naar het Gerechtshof te Amsterdam ter verdere behandeling en beslissing van de zaak in meervoudige kamer met inachtneming van dit arrest, gelast dat door de Staatssecretaris van Financiën aan belanghebbende wordt vergoed het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie verschuldigd geworden griffierecht ten bedrage van ƒ 300,--, en veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op ƒ 2.840,-- voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Dit arrest is op 17 april 1996 vastgesteld door de vice-president R.J.J. Jansen als voorzitter en de raadsheren Van der Linde, De Moor, Van der Putt-Lauwers en Van Brunschot, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Van Hooff, en op die datum in het openbaar uitgesproken.