Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:1996:AA1957

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
01-05-1996
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
31074
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Successiewet 1956 20
Successiewet 1956 21
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PW 1996, 20691
BNB 1996/213
FED 1996/399
WFR 1996/682
V-N 1996/2032, 8 met annotatie van Redactie
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

gewezen op het beroep in cassatie van X te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Arnhem van 16 februari 1995 betreffende de aan haar opgelegde aanslag in het recht van successie terzake van haar verkrijging uit de nalatenschap van A, overleden op 1 januari 1993.

1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof Aan belanghebbende is ter zake van haar verkrijging uit voormelde nalatenschap een aanslag in het recht van successie opgelegd naar een belaste verkrijging van ƒ 212.295,--, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd. Belanghebbende is van de uitspraak van de Inspecteur in beroep gekomen bij het Hof. Het Hof heeft die uitspraak bevestigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De Staatssecretaris van Financiën heeft een vertoogschrift ingediend.

3. Beoordeling van de middelen 3.1. Voor zover de middelen betrekking hebben op 's Hofs oordelen omtrent de door belanghebbende gestelde "schulden" van erflater ter zake van de belanghebbende verleende verpleging en verzorging en ter zake van de door belanghebbende tijdens leven van erflater voor het op orde houden van diens woning gemaakte kosten, falen zij omdat deze oordelen niet blijk geven van een onjuiste rechtsopvatting en voor het overige, als van feitelijke aard en geen nadere motivering behoevende, in cassatie niet met vrucht kunnen worden bestreden. 3.2. Blijkens de tot de stukken van het geding behorende pleitnota heeft belanghebbende - voor zover hier van belang - voor het Hof aangevoerd:

"Voor de vaststelling van de waarde van het huis werd de opbrengstprijs van ƒ 130.000,-- aangemerkt. Deze opbrengst werd eerst gerealiseerd in september 1993, 9 maanden na het overlijden van de erflater. Art. 21 van de successiewet stelt duidelijk dat de waarde bepaald wordt op het moment van de verkrijging zijnde het moment van overlijden van erflater, 1 januari 1993. ............

Volgens de makelaar is de waarde van huizen tussen 1 januari 1993 en 1 september 1993 met 10% gestegen (zie bijgaande statistiek). De waarde van het huis van de overledene was dus ƒ 130.000,-- minus 10% is ƒ 117.000,-- per 1 januari 1993. Voor de rommelige en verwaarloosde toestand per 1 januari zou nog eens ƒ 5.000,-- in mindering gebracht kunnen worden".

Deze grief laat geen andere gevolgtrekking toe dan dat belanghebbende voor het Hof heeft aangevoerd dat zij bij haar aangifte is uitgegaan van de onjuiste rechtsopvatting dat de waarde van een geërfde woning die na het overlijden van de erflater zal worden verkocht voor de heffing van het successierecht moet worden gesteld op de naderhand bij verkoop verkregen opbrengst. Anders dan het Hof heeft geoordeeld, kan van zodanige grief niet worden gezegd dat zij, als zij eerst ter zitting is aangevoerd en eerder had kunnen worden aangevoerd, tardief is. Nu de Inspecteur naar 's Hofs vaststelling werd overrompeld - op de Inspecteur rust de bewijslast dat de naderhand verkregen opbrengst overeenkomt met de waarde van de woning op het tijdstip van overlijden -, had het Hof de behandeling van de zaak moeten aanhouden tot een volgende zitting. De middelen zijn in zoverre gegrond. 's Hofs uitspraak kan niet in stand blijven en verwijzing moet volgen. 3.3. De middelen falen voor het overige. Zulks behoeft, gezien artikel 101a van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4. Proceskosten De Hoge Raad acht, gelet op de inhoud van het procesdossier, termen aanwezig om ten aanzien van de proceskosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het geding in cassatie voor de onderhavige zaak redelijkerwijs heeft moeten maken, te beslissen als hierna zal worden vermeld.

5. Beslissing De Hoge Raad vernietigt de uitspraak van het Hof, verwijst het geding naar het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch ter verdere behandeling en beslissing van de zaak in meervoudige kamer met inachtneming van dit arrest, gelast dat door de Staatssecretaris van Financiën aan belanghebbende wordt vergoed het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie verschuldigd geworden griffierecht ten bedrage van ƒ 300,--, en veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende vastgesteld op ƒ 1.420,--.

Dit arrest is op 1 mei 1996 vastgesteld door de vice-president Stoffer als voorzitter, en de raadsheren Zuurmond, C.H.M. Jansen, Fleers en Pos, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Loen en op die datum in het openbaar uitgesproken.