Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:1996:AA1953

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
17-04-1996
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
31109
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wet op de omzetbelasting 1968 50 (oud)
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BNB 1996/184
BNB 1996/278 met annotatie van W.A. Sinnighe Damsté
FED 1996/370
FED 1996/453 met annotatie van H.PH. RUYS
FED 1996/369
WFR 1996/610
WFR 1996/610, 1
V-N 1996/1843, 17 met annotatie van Redactie
V-N 1996/2374, 22 met annotatie van Redactie
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

gewezen op het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 8 februari 1995 betreffende na te melden aan de gemeente Utrecht opgelegde naheffingsaanslag in de bijzondere verbruiksbelasting van personenauto's.

1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof Aan belanghebbende is over het tijdvak oktober 1991 een naheffingsaanslag in de bijzondere verbruiksbelasting van personenauto's opgelegd ten bedrage van ƒ 6.036,--, zonder verhoging, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd. Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof, dat deze uitspraak alsmede de naheffingsaanslag heeft vernietigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie De Staatssecretaris van Financiën heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. Belanghebbende heeft bij vertoogschrift het cassatieberoep bestreden.

3. Beoordeling van het middel van cassatie Het middel komt op tegen 's Hofs oordeel dat de stelling van de Inspecteur dat het bepaalde in artikel 50, lid 2, aanhef en letter c, van de Wet op de omzetbelasting 1968 (tekst 1991) slechts van toepassing is, indien de auto uiterlijk kenbaar is als politie-auto, geen steun vindt in de tekst van die wetsbepaling, noch in de geschiedenis van de totstandkoming daarvan. Dat oordeel is evenwel juist. Het middel kan mitsdien niet tot cassatie leiden.

4. Proceskosten De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken.

5. Beslissing De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is op 17 april 1996 vastgesteld door de vice-president R.J.J. Jansen als voorzitter, en de raadsheren Van der Linde, Bellaart, De Moor en Van der Putt-Lauwers, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Van Hooff, en op die datum in het openbaar uitgesproken.

Van de Staatssecretaris van Financiën wordt ter zake van dit beroep een recht geheven van ƒ 300,--. Met dit bedrag wordt verrekend het bedrag van ƒ 150,-- dat bij het Hof is betaald voor de vervanging van de mondelinge uitspraak, zodat nog resteert te betalen ƒ 150,--.