Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:1996:AA1903

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
10-04-1996
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
30899
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BNB 1996/275 met annotatie van E. Aardema
FED 1996/348
FED 1996/539 met annotatie van M.W.C. FETERIS
WFR 1996/568
V-N 1996/1606, 10 met annotatie van Redactie
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

gewezen op het beroep in cassatie van X te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Arnhem van 22 november 1994 betreffende na te melden naheffingsaanslag in de motorrijtuigenbelasting.

1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof Aan belanghebbende is voor het motorrijtuig met kenteken AA-11-AA een naheffingsaanslag in de motorrijtuigenbelasting opgelegd, berekend over het tijdvak 1 november 1989 tot en met 30 april 1990, ten bedrage van ƒ 641,-- aan enkelvoudige belasting en ƒ 641,-- aan verhoging. Deze aanslag is, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur gehandhaafd, met het besluit geen kwijtschelding van de verhoging te verlenen. Belanghebbende is tegen die uitspraak en dat besluit in beroep gekomen bij het Hof, dat deze uitspraak en dit besluit heeft bevestigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De Staatssecretaris van Financiën heeft bij vertoogschrift het cassatieberoep gedeeltelijk bestreden en zich voor het overige gerefereerd aan het oordeel van de Hoge Raad.

3. Beoordeling van de klacht Belanghebbende heeft een op 15 april 1994 bij het Hof binnengekomen verzoek om uitstel van de mondelinge behandeling gedaan, met bijvoeging van bewijsstukken omtrent het geschil, zulks omdat hij wegens ziekte niet ter zitting kon verschijnen en verwachtte over drie maanden weer te kunnen reizen. Dit verzoek is door het Hof afgewezen, niet op grond dat het niet tijdig zou zijn gedaan, doch omdat niet voor de vierde maal een nader uitstel behoefde te worden verleend, nu belanghebbende bij het laatstverleende uitstel is medegedeeld dat een nader uitstel niet meer zal worden verleend en dat hij een gemachtigde kan afvaardigen. In de omstandigheden van het onderhavige geval zou deze redengeving voldoende kunnen worden geacht voor 's Hofs oordeel dat ten opzichte van de belangen van belanghebbende om zich in persoon ter zitting te verdedigen en daarbij bewijsstukken in het geding te brengen, zwaarder wegende, bij de behandeling van de zaak betrokken belangen aan zodanig uitstel in de weg staan, indien het Hof de bij het verzoek om uitstel gevoegde stukken, voorzover deze bewijsstukken vormen, in zijn beoordeling van de zaak had betrokken. Nu het Hof evenwel deze bewijsstukken - waarin het Hof mede nieuwe grieven heeft gelezen - als te laat in het geding gebracht heeft terzijdegesteld, is het verzoek om uitstel op onvoldoende grond geweigerd, en de klacht, die zich tegen het buiten beschouwing laten van deze bewijsstukken keert, gegrond. 's Hofs uitspraak kan derhalve niet in stand blijven. Verwijzing moet volgen.

4. Proceskosten De Hoge Raad zal met het oog op een eventuele veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken belanghebbende in de gelegenheid stellen zich uit te laten als hierna bepaald.

5. Beslissing. De Hoge Raad vernietigt de uitspraak van het Hof, verwijst het geding naar het Gerechtshof te Arnhem ter verdere behandeling en beslissing van de zaak in meervoudige kamer met inachtneming van dit arrest, bepaalt dat door de Griffier van de Hoge Raad aan belanghebbende wordt terugbetaald het ter zake van de vervanging van de mondelinge uitspraak bij het Hof gestorte bedrag van ƒ 75,--, gelast dat door de Staatssecretaris van Financiën aan belanghebbende wordt vergoed het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie verschuldigd geworden griffierecht ten bedrage van ƒ 75,--, en stelt belanghebbende in de gelegenheid binnen 6 weken na heden zich uit te laten omtrent een eventuele veroordeling van de wederpartij in de kosten van het geding in cassatie. Dit arrest is op 10 april 1996 vastgesteld door de vice-president R.J.J. Jansen als voorzitter, en de raadsheren Van der Linde, Bellaart, De Moor en Van der Putt-Lauwers, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier en op die datum in het openbaar uitgesproken.