Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:1996:AA1896

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
31-01-1996
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
30928
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BNB 1996/191 met annotatie van CH.J. LANGEREIS
FED 1996/158
FED 1996/326 met annotatie van Redactie
WFR 1996/199
V-N 1996/773, 22 met annotatie van Redactie
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

gewezen op het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 11 mei 1994 betreffende de aan X te Z voor het jaar 1991 opgelegde aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.

1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof Aan belanghebbende is voor het jaar 1991 een aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is verminderd tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen van ƒ 81.785,--. Belanghebbende is van de uitspraak van de Inspecteur in beroep gekomen bij het Hof. Het Hof heeft die uitspraak vernietigd en de aanslag verminderd tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen van ƒ 79.656,--. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie De Staatssecretaris van Financiën heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. Belanghebbende heeft een vertoogschrift ingediend.

3. Beoordeling van het middel 3.1. In cassatie moet worden uitgegaan van het volgende. Belanghebbende heeft gedurende het vierde kwartaal van 1991 geheel of nagenoeg geheel voorzien in het levensonderhoud van een 18 jaar oude, niet tot zijn huishouden behorende dochter. Deze dochter, die toen samenwoonde met een financieel onafhankelijke partner in de zin van artikel 1, lid 1, letter f, onder 2°, van de Wet op de studiefinanciering, zoals die wet luidde voor het onderhavige kwartaal (hierna ook: WSF), volgde volledig onderwijs. Zij voldeed aan de in de artikelen 7, 8 en 9 WSF vermelde voorwaarden voor het in aanmerking komen voor studiefinanciering ingevolge hoofdstuk II van die wet. Op haar aanvraag om toekenning van studiefinanciering over voormeld kwartaal is door de toenmalige Informatiseringsbank op 13 maart 1992 evenwel beslist dat basisbeurs, rentedragende lening en aanvullende beurs nihil bedragen. Hierbij heeft de Informatiseringsbank op de voet van artikel 27 WSF mede de draagkracht uit het inkomen van haar partner in aanmerking genomen. De Sociale Verzekeringsbank, district Q, heeft op 26 mei 1992 aan belanghebbende bericht dat hij over het vierde kwartaal van 1991 geen recht op kinderbijslag ingevolge de Algemene Kinderbijslagwet heeft omdat "gebleken is dat op de peildatum van genoemd kwartaal uw dochter in aanmerking komt voor een basisbeurs krachtens de Wet op de Studiefinanciering". Tegen deze beslissing is belanghebbende niet in beroep gegaan. Belanghebbende heeft vervolgens in zijn aangiftebiljet inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen E over het onderhavige jaar als buitengewone last in de zin van artikel 46, lid 1, letter a, onder 1°, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (hierna: de Wet) het in artikel 9, lid 2, onder b, van de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 1990 genoemde bedrag van ƒ 1.875,-- in aanmerking genomen. De Inspecteur heeft aftrek als buitengewone last van dit bedrag geweigerd omdat naar zijn mening aan het bestaan van het recht van belanghebbendes dochter op studiefinanciering niet afdoet dat ingevolge de Wet op de studiefinanciering haar aanspraak daarop in feite nihil is. 3.2. Het Hof heeft geoordeeld dat, uitgaande van de omstandigheden dat de dochter van belanghebbende de studiefinanciering is onthouden omdat zij samenwoonde met een financieel onafhankelijke partner en belanghebbende geen recht heeft op kinderbijslag, de uitgaven van belanghebbende tot voorziening in het levensonderhoud van die dochter moeten worden aangemerkt als buitengewone lasten in voormelde zin. Tegen dit oordeel richt zich het middel. 3.3. Het middel gaat uit van de opvatting dat de WSF ten doel heeft aan studerenden van 18 jaar en ouder een op hun draagkracht afgestemde toereikende studiefinanciering te bieden en dat de wetgever daarom in artikel 46 van de Wet aftrek als buitengewone last voor uitgaven ter voorziening in het levensonderhoud van die studerenden heeft willen uitsluiten in alle gevallen waarin deze binnen de werkingssfeer van hoofdstuk II van de WSF vallen. Die opvatting kan niet als juist worden aanvaard. Immers, ingeval de partner van een studerende met wie deze ongehuwd samenwoont eigen inkomsten heeft kan - volgens de in het onderhavige jaar geldende regeling - die omstandigheid wel wegens aan die studerende toegerekende draagkracht aan de toekenning van een basisbeurs in de weg staan, maar voor aftrek als buitengewone last van onderhoudsuitgaven ten behoeve van de studerende vormt die omstandigheid op zichzelf geen beletsel (H.R. 11 september 1991, nr. 27.571, BNB 1991/287). De WSF en de Wet op de inkomstenbelasting 1964 kennen hier derhalve een verschillende benadering van de behoefte aan financiële ondersteuning van een studerende. Daarom mag "recht hebben op studiefinanciering ingevolge hoofdstuk II van de Wet op de studiefinanciering" in artikel 46, lid 1, letter a, onder 1°, van de Wet niet aldus worden uitgelegd dat reeds op grond van de enkele omstandigheid dat een studerende binnen de werkingssfeer van hoofdstuk II van de WSF valt, aftrek als buitengewone last van uitgaven ter voorziening in diens levensonderhoud bij voorbaat is uitgesloten. 3.4. In de Memorie van Toelichting bij het ontwerp van wet dat heeft geleid tot de WSF is onder het hoofd "Fiscale aanpassing" onder meer vermeld (Kamerstukken II, 1984-85, 19 125, nr. 3, blz. 26):

"De omvang van de basisbeurs in het kader van de nieuwe studiefinanciering is zodanig dat indien de student een basisbeurs geniet bij de ouder buitengewone lastenaftrek in verband met het voorzien in het levensonderhoud van een studerend kind achterwege kan blijven".

Ook elders in de parlementaire stukken van dit wetsontwerp waar dit punt aan de orde komt, wordt gesproken over het vervallen van de mogelijkheid van aftrek als buitengewone last in gevallen waarin de studerende "een basisbeurs geniet" of "studiefinanciering op grond van hoofdstuk II gaat genieten" (Kamerstukken II, 1984-85, 19 125, nr. 6, blz. 19, en nr. 16, blz. 14). In het licht van deze wetsgeschiedenis brengt een uitlegging van artikel 46, lid 1, letter a, onder 1°, welke recht doet aan de strekking ervan mede, een kind dat in feite geen basisbeurs geniet wegens korting op grond van de bij haar veronderstelde draagkracht wegens inkomsten van de partner met wie zij ongehuwd samenwoont, te rekenen tot de kinderen "die geen recht hebben op studiefinanciering ingevolge hoofdstuk II van de Wet op de studiefinanciering". 3.5. In het midden kan blijven of, zoals in het middel nog wordt betoogd, belanghebbende voor zijn dochter over het onderhavige kwartaal recht had op kinderbijslag ingevolge de Algemene Kinderbijslagwet. Nu vaststaat dat belanghebbende die kinderbijslag heeft aangevraagd maar dat deze hem door het bevoegde overheidsorgaan is geweigerd, moet voor de toepassing van artikel 46, lid 1, letter a, onder 1°, ervan worden uitgegaan dat belanghebbende geen recht had op kinderbijslag. 3.6. Uit het vorenoverwogene volgt dat het middel faalt.

4. Proceskosten De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken.

5. Beslissing De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is op 31 januari 1996 vastgesteld door de vice-president Stoffer als voorzitter, en de raadsheren Urlings, Zuurmond, C.H.M. Jansen en Fleers, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Loen, en op die datum in het openbaar uitgesproken.

Van de Staatssecretaris van Financiën wordt ter zake van het instellen van dit beroep een griffierecht geheven van (ƒ 300,-- minus het ter zake van de vervanging van de mondelinge uitspraak bij het Hof gestorte bedrag van ƒ 150.,--) ƒ 150,--.