Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:1996:AA1882

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
13-03-1996
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
30448
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BNB 1996/168
FED 1996/278
FED 1996/977 met annotatie van Redactie
WFR 1996/430, 1
V-N 1996/1256, 13 met annotatie van Redactie
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

gewezen op het beroep in cassatie van X te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 21 juni 1994 betreffende de hem voor het jaar 1987 opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting.

1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof Aan belanghebbende is voor het jaar 1987 een aanslag in de inkomstenbelasting opgelegd naar een belastbaar inkomen van ƒ 465.151,--, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd. Belanghebbende is van de uitspraak van de Inspecteur in beroep gekomen bij het Hof. Het Hof heeft die uitspraak vernietigd en de aanslag verminderd tot een berekend naar een belastbaar inkomen van ƒ 159.514,--. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht. De Staatssecretaris van Financiën heeft een vertoogschrift ingediend. Belanghebbende heeft de zaak doen toelichten door mr. J.A. Meijer, advocaat te 's-Gravenhage.

3. Beoordeling van de middelen 3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan. Belanghebbende trad op 14 februari 1985 in dienst bij A B.V. De naam van A B.V. werd in dat jaar gewijzigd in B B.V. Bij notariële akte van 30 december 1985 richtten belanghebbende, B B.V. (v.h. A B.V.) en drie andere holding B.V.'s, een vennootschap onder, opnieuw, de naam A B.V. (hierna te noemen: A) op, waarbij tevens werd bepaald dat B B.V. ter volstorting van de door haar te nemen aandelen haar gehele onder de naam A gedreven onderneming met inbegrip van voormelde handelsnaam met ingang van 22 juli 1985 in A zou inbrengen. Tevens ging de dienstbetrekking van belanghebbende over op die vennootschap. Belanghebbende bezat vanaf 30 december 1985 1% van het aandelenkapitaal in A. De notulen van de algemene vergadering van aandeelhouders van A van 9 oktober 1987 vermelden dat belanghebbende 2% van de aandelen erbij krijgt voor ƒ 7.000,-- per aandeel en dat dit gebaseerd is op eerdere afspraken die het vorige jaar al liepen. Blijkens het register van aandeelhouders zijn op 30 december 1987 58 aandelen A aan belanghebbende geleverd en heeft deze zijn aandelen op 15 juli 1988 aan de ABN-bank verkocht voor een bedrag van ƒ 15.150,-- per aandeel. 3.2. Het Hof heeft - in cassatie onbestreden - geoordeeld dat het aannemelijk is dat belanghebbende de 58 aandelen A op 15 april 1987 heeft gekocht en dat de levering en betaling eerst op 30 december 1987 hebben plaatsgevonden. 3.3. Het Hof heeft voorts aan een aantal in 5.2 van zijn uitspraak vermelde omstandigheden het vermoeden ontleend dat de contractspartijen bij de verkoop van de aandelen op 15 april 1987 de bedoeling hebben gehad belanghebbende te bevoordelen. Bij zijn daarop volgende oordeel dat dit vermoeden niet is weerlegd is het Hof kennelijk ervan uitgegaan dat de juistheid van belanghebbendes stelling dat hij in april 1987 niet kon vermoeden dat de ABN in december 1987 de aandelen inclusief een geldlening zou willen overnemen, niet kan bijdragen tot de weerlegging van dat vermoeden. Zulks geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is ook niet onbegrijpelijk. Belanghebbendes in het tweede onderdeel van middel I vervatte klacht, dat het Hof zijn aanbod om voormelde stelling te bewijzen ongemotiveerd heeft gepasseerd, kan derhalve niet tot cassatie leiden. 3.4. De middelen kunnen ook voor het overige niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien artikel 101a van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4. Proceskosten De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken.

5. Beslissing De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is op 13 maart 1996 vastgesteld door de vice-president Stoffer als voorzitter, en de raadsheren Urlings, Zuurmond, Herrmann en Fleers, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Den Ouden, en op die datum in het openbaar uitgesproken.