Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:1996:AA1876

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
24-01-1996
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
30531
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Algemene wet inzake rijksbelastingen 8
Algemene wet inzake rijksbelastingen 9
Algemene wet inzake rijksbelastingen 16
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PW 1996, 20749
BNB 1996/325 met annotatie van Van Leijenhorst
FED 1996/668
V-N 1996/3228, 3 met annotatie van Redactie
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

gewezen op het beroep in cassatie van X te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 28 juni 1994 betreffende na te melden navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting.

1. Aanslag en geding voor het Hof Aan belanghebbende, die aanvankelijk in de inkomstenbelasting voor het jaar 1989 was aangeslagen naar een belastbaar inkomen van ƒ 50.000,--, met een verhoging wegens niet tijdige aangifte ten bedrage van ƒ 605,--, is over dat jaar een navorderingsaanslag opgelegd naar een belastbaar inkomen van ƒ 70.940,--, met inachtneming van de bij de primitieve aanslag opgelegde verhoging. Belanghebbende is tegen die aanslag en die verhoging in beroep gekomen bij het Hof, dat de navorderingsaanslag heeft gehandhaafd en het beroep tegen de verhoging wegens niet tijdige aangifte niet ontvankelijk heeft verklaard.

2. Geding in cassatie Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld en daarbij twee middelen van cassatie voorgesteld. De Staatssecretaris van Financiën heeft bij vertoogschrift het cassatieberoep bestreden.

3. Beoordeling van de middelen De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien artikel 101a van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4. Proceskosten De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken.

5. Beslissing De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is op 24 januari 1996 vastgesteld door de vice-president R.J.J. Jansen als voorzitter, en de raadsheren Van der Linde, Bellaart, C.H.M. Jansen en Van der Putt-Lauwers, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Lubbers, en op die datum in het openbaar uitgesproken.