Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:1996:AA1872

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
09-08-1996
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
30588
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Gemeentewet 277 (oud), geldigheid: 1996-08-09
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Milieurecht Totaal 1996/62
Belastingblad 1996/605
BNB 1996/318
FED 1996/638
WFR 1996/1180
V-N 1996/3497, 25

Uitspraak

gewezen op het beroep in cassatie van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid X B.V. (voorheen genaamd A B.V.) te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 1 juli 1994 betreffende na te melden aan haar voor het jaar 1990 opgelegde aanslag in het rioolafvoerrecht van de gemeente Amsterdam.

1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof Aan belanghebbende is voor het jaar 1990 wegens de afvoer van 1.584.154 m3 afvalwater een aanslag in het rioolafvoerrecht van de gemeente Amsterdam opgelegd ten bedrage van ƒ 1.663.200,--, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur Gemeentebelastingen Amsterdam is gehandhaafd. Belanghebbende is van de uitspraak van de Inspecteur in beroep gekomen bij het Hof. Het Hof heeft die uitspraak bevestigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De Directeur Gemeentebelastingen Amsterdam heeft bij vertoogschrift het cassatieberoep bestreden. Belanghebbende en de Directeur hebben de zaak doen toelichten door mr. G.J. Niezen, advocaat te Amersfoort, respectievelijk door mr. R.M. Schutte, advocaat te 's-Gravenhage, waarna zij hebben gerepliceerd respectievelijk gedupliceerd.

3. Beoordeling van het middel 3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan. Belanghebbende was in 1990 gebruikster van een in de gemeente Amsterdam gelegen perceel/industrieterrein. In dat jaar werd vanuit vorenbedoeld perceel afvalwater afgevoerd op het IJ en op het zijkanaal K. De gemeente Amsterdam, die op grond van artikel 2, lid 1, aanhef en letter a, van de Verordening op de heffing en invordering van rioolrechten Amsterdam 1990 (hierna: de Verordening) voormelde wateren tot haar rioolstelsel rekende, heeft belanghebbende ter zake van het afvoeren van het afvalwater in de heffing van het rioolafvoerrecht betrokken. 3.2. Het geschil voor het Hof betrof onder meer het antwoord op de vraag of het IJ en het zijkanaal K konden worden aangemerkt als voor de openbare dienst bestemde gemeentebezittingen die bij de gemeente Amsterdam in beheer of in onderhoud waren in de zin van artikel 277, eerste lid, onderdeel b 1°, van de gemeentewet (oud). 3.3. Het Hof heeft deze vraag bevestigend beantwoord. Het Hof heeft zulks gegrond op het - in cassatie onbestreden - oordeel dat de gemeente Amsterdam eigenaar is van het IJ en van het zijkanaal K, alsmede op het in rechtsoverweging 6.2 gegeven oordeel dat deze wateren bij de gemeente Amsterdam in beheer zijn en door haar worden onderhouden. 3.4. Laatstvermeld oordeel wordt in onderdeel A van het middel bestreden met een motiveringsklacht die erop neerkomt dat, nu belanghebbende zulks gemotiveerd betwistte, het Hof - anders dan het heeft gedaan - niet zonder meer had mogen aannemen dat de Gemeente voor het IJ en het zijkanaal K onder meer uitgaven deed voor kade- en oeverbescherming alsmede baggeren. 3.5. Deze klacht ziet eraan voorbij dat ingevolge het bepaalde in artikel 277, eerste lid, onderdeel b 1° van de gemeentewet ter zake van het gebruik van in die bepaling bedoelde bezittingen, weken of inrichtingen reeds rechten kunnen worden gevorderd indien het gaat om bezittingen, werken of inrichtingen die bij de gemeente in beheer zijn. Dat dit laatste naar 's Hofs oordeel ten aanzien van het IJ en het zijkanaal K het geval is, behoefde, in aanmerking genomen enerzijds dat die wateren onderdeel uitmaken van een rioleringstelsel waarvoor de verantwoordelijkheid bij de Gemeente berust en anderzijds de aard van de betwisting zijdens belanghebbende, geen nadere motivering dan door het Hof is gegeven. Evenmin is dat oordeel onbegrijpelijk. Onderdeel A faalt derhalve. 3.6. Voor zover onderdeel B van het middel is gericht tegen het in rechtsoverweging 6.5 van 's Hofs uitspraak neergelegde oordeel dat hier geen sprake is van een onredelijke of willekeurige heffing "nu heffing is afgestemd op de hoeveelheid geloosd afvalwater" faalt het. De maatstaf waarnaar belanghebbende hier werd aangeslagen - voor elke volle eenheid van 300 kubieke meters water die in het onderhavige jaar naar de vestiging van belanghebbende was toegevoerd en vervolgens vrijwel geheel als afvalwater vanuit die vestiging weer was afgevoerd werd aan belanghebbende een bedrag van ƒ 315,-- opgelegd - kan, mede gezien artikel 277, eerste lid, onderdeel b 1°, van de gemeentewet, als maatstaf voor het heffen van rioolrechten niet onredelijk worden genoemd, laat staan willekeurig. Onderdeel B van het middel faalt ook voor het overige. Zulks behoeft niet nader te worden gemotiveerd nu in zoverre dat onderdeel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling (HR 25 maart 1981, nr. 20 415, BNB 1981/173). 3.7. Voor zover bij pleidooi in cassatie namens belanghebbende nog een beroep is gedaan op onverbindendheid van de onderhavige Verordening wegens strijd met het gelijkheidsbeginsel van artikel 1 van de Grondwet (HR 20 september 1995, nr. 30 567, BNB 1995/315) behoort daaraan voorbij te worden gegaan nu het hierin besloten liggende verweer bij het Hof niet is gevoerd en, gelet op de feitelijke aspecten ervan, in cassatie niet voor het eerst kan worden opgeworpen.

4. Proceskosten De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken.

5. Beslissing De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is op 9 augustus 1996 vastgesteld door de vice-president Stoffer als voorzitter, en de raadsheren Urlings, C.H.M. Jansen, Fleers en Pos, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Reijngoud, en op die datum in het openbaar uitgesproken.