Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:1996:AA1865

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
10-01-1996
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
30648
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BNB 1996/128
FED 1996/105
WFR 1996/79, 2
V-N 1996/467, 17 met annotatie van Redactie
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

gewezen op de beroepen in cassatie van X te Z en van de Staatssecretaris van Financiën tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Arnhem van 1 september 1994 betreffende de aan belanghebbende voor het jaar 1991 opgelegde aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.

1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof Aan belanghebbende is voor het jaar 1991 een aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen van ƒ 66.233,-- welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd. Belanghebbende is van de uitspraak van de Inspecteur in beroep gekomen bij het Hof. Het Hof heeft die uitspraak vernietigd en de aanslag verminderd tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen van ƒ 63.516,--. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie Ieder van partijen heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. De beroepschriften zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit. De Staatssecretaris van Financiën heeft het beroep van belanghebbende bij vertoogschrift bestreden.

3. Uitgangspunten in cassatie In cassatie kan worden uitgegaan van het volgende. Belanghebbende is als muziekleraar verbonden aan een middelbare school. Hij heeft een eerste-graadsbevoegdheid en is een gekwalificeerd pianist. Voorts treedt hij op als dirigent van een koor. Belanghebbende heeft in zijn woning een vertrek ingericht als studeer/werkkamer. In dit vertrek staan onder meer een bureau met toebehoren, boekenrekken en een vleugel. Belanghebbende verricht er onder meer werkzaamheden die uit zijn leraarschap en dirigentschap voortvloeien en houdt er zijn vaardigheid in pianospel op peil. In het onderhavige jaar heeft belanghebbende in zijn aangifte inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen ter zake van de kosten van afschrijving op de vleugel en een viool te zamen een bedrag van ƒ 2.790,-- als op zijn inkomsten uit arbeid drukkende aftrekbare kosten opgenomen en ter zake van de kosten van afschrijving op een geluidsinstallatie een bedrag van ƒ 1.996,--. Ook de kosten die betrekking hebben op zijn studeer/werkkamer heeft belanghebbende tot zijn aftrekbare kosten gerekend. De Inspecteur heeft bij de regeling van belanghebbendes aanslag de kosten van afschrijving op grond van het omvangscriterium beperkt tot ƒ 1.000,-- voor de vleugel en de viool en tot ƒ 600,-- voor de geluidsinstallatie en voor de studeer/werkkamer geen kostenaftrek toegestaan.

4. Beoordeling van de klachten van belanghebbende 4.1. Het Hof heeft geoordeeld dat onder de in de vóór 1 januari 1990 geldende tekst van artikel 35, lid 3, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (hierna: de Wet) voorkomende term "werkkamer" naar het spraakgebruik onder de categorie "werkstudeerkamer" vallend, vertrek als in 3.1 omschreven werd begrepen en dat er geen aanwijzingen in de parlementaire geschiedenis van artikel 36 van de Wet zijn, dat het in dat artikel voorkomende begrip "kantoorruimte" een wezenlijk andere invulling heeft gekregen dan het voorheen in artikel 35 van de Wet gebruikte begrip "werkkamer", zodat dat vertrek worden beschouwd als kantoorruimte als bedoeld in de Wet. 4.2. De klacht dat het Hof bij de beantwoording van de vraag of hier sprake is van een kantoorruimte in de woning van de belastingplichtige in de zin van artikel 36, lid 1, onder b van de Wet is uitgegaan van een onjuiste opvatting omtrent de inhoud van dat begrip is gegrond (Hoge Raad 11 oktober 1995, nr. 30453, BNB 1995/341). Op grond van de geschiedenis van de totstandkoming van genoemd artikel, waarbij in het bijzonder van belang is hetgeen met betrekking tot het begrip kantoorruimte in de woning van de belastingplichtige is gesteld op bladzijde 26 van de Memorie van Toelichting bij het voorstel van wet dat heeft geleid tot de Wet van 27 april 1989, Stb. 123 (Kamerstukken II, 1988/89, 20873, nr. 3), moet worden aangenomen dat met kantoorruimte in voormelde zin is bedoeld een ruimte in de woning van de belastingplichtige die blijkens de inrichting ervan in hoofdzaak is bestemd voor het verrichten van administratieve arbeid en daartoe ook wordt gebruikt. 4.3. De uitspraak van het Hof kan niet in stand blijven. De overige klachten behoeven geen behandeling. Verwijzing moet volgen.

5. Beoordeling van het middel van de Staatssecretaris 5.1. Het middel berust vooreerst op de opvatting dat de zinsnede in artikel 35, lid 1, van de Wet, dat de kosten "in hun totale omvang niet overtreffen hetgeen gebruikelijk is", moet worden uitgelegd die zin dat slechts een gemiddeld bedrag voor aftrek in aanmerking komt. 5.2. Die opvatting kan niet als juist worden aanvaard. In het arrest van 28 juni 1995, nr. 30321, BNB 1995/255, heeft de Hoge Raad - voor zover hier van belang - geoordeeld dat voor het antwoord op de vraag of de totale omvang van de kosten - van een bepaalde soort - overtreft hetgeen gebruikelijk is, het voor uitgaven die betrekking hebben op inkomsten uit dienstbetrekking erop aankomt of de totale omvang van die uitgaven, alle omstandigheden van het geval in aanmerking genomen, redelijkerwijs als normaal kan worden beschouwd. In zoverre faalt het middel. 5.3. Met hetgeen het Hof omtrent de afschrijvingen op de muziekinstrumenten en de geluidsinstallatie heeft overwogen heeft het niet blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting op dit punt. Hierop stuit het middel voor het overige af. 6. Proceskosten 6.1. Voor wat betreft het cassatieberoep van belanghebbende acht de Hoge Raad, gelet op de inhoud van het procesdossier, termen aanwezig om ten aanzien van de proceskosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het geding in cassatie voor de onderhavige zaak redelijkerwijs heeft moeten maken, te beslissen als hierna zal worden vermeld. 6.2. Voor wat betreft het cassatieberoep van de Staatssecretaris van Financiën acht de Hoge Raad geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken. 6.3. Nu de uitspraak van het Hof op grond van het beroep van belanghebbende niet in stand kan blijven dient na te melden vernietiging zich niet uit te strekken tot de beslissing van het Hof omtrent de ter zake van de procedure voor het Hof door belanghebbende gemaakte proceskosten.

7. Beslissing De Hoge Raad verwerpt het beroep van de Staatssecretaris van Financiën en vernietigt op het beroep van belanghebbende de uitspraak van het Hof, behoudens de beslissingen omtrent het griffierecht en de proceskosten, verwijst het geding naar het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch ter verdere behandeling en beslissing van de zaak in meervoudige kamer met inachtneming van dit arrest, gelast dat door de Staatssecretaris van Financiën aan belanghebbende wordt vergoed het door deze ter zake van de behandeling van zijn beroep in cassatie gestorte griffierecht ten bedrage van ƒ 150,-- en veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op ƒ 710,-- voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Dit arrest is op 10 januari 1996 vastgesteld door de vice-president Stoffer als voorzitter, en de raadsheren Urlings, Zuurmond, Herrmann en Fleers, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Loen, en op die datum in het openbaar uitgesproken.

Van de Staatssecretaris van Financiën wordt ter zake van het instellen van het beroepschrift in cassatie een recht geheven van ƒ 300,--. Met dit bedrag wordt verrekend het bedrag van ƒ 150,-- dat bij het Hof is betaald voor de vervanging van de mondelinge uitspraak zodat nog resteert te betalen ƒ 150,--.