Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:1996:AA1847

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
27-03-1996
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
30758
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 6:6
Algemene wet bestuursrecht 6:5
Wet op de omzetbelasting 1968 50 (oud)
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BNB 1996/179 met annotatie van Van Leijenhorst
FED 1996/314
FED 1997/67
WFR 1996/494, 1
V-N 1996/1442, 8 met annotatie van Redactie
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

gewezen op het beroep in cassatie van X te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 28 september 1994 betreffende na te melden naheffingsaanslag in de bijzondere verbruiksbelasting van personenauto's.

1. Aanslag, bezwaar en geding bij het Hof Aan belanghebbende is over het tijdvak 1 januari 1986 tot en met 31 december 1989 een naheffingsaanslag in de bijzondere verbruiksbelasting van personenauto's opgelegd, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is verminderd tot een aanslag ten bedrage van ƒ 567.743,--, zonder verhoging. Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof, dat deze uitspraak heeft bevestigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. Belanghebbende is door de Griffier van de Hoge Raad in de gelegenheid gesteld het verzuim dat niet is voldaan aan het in artikel 6:5, lid 1, letter d, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) binnen een bepaalde termijn te herstellen, doch herstel van dit verzuim heeft niet plaatsgevonden. De Staatssecretaris van Financiën heeft bij vertoogschrift geconcludeerd tot niet-ontvankelijkheid van het beroep in cassatie.

3. Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep in cassatie De Staatssecretaris heeft aangevoerd dat overeenkomstig het bepaalde in artikel 6:6 Awb het beroep niet ontvankelijk is, nu niet is voldaan aan het in artikel 6:5, lid 1, letter d, Awb gestelde vereiste dat het beroepschrift de gronden van het beroep bevat, terwijl de indiener van het beroepschrift de gelegenheid heeft gehad het verzuim binnen de hem daartoe gestelde termijn te herstellen. Artikel 6:6 Awb geeft de rechter de bevoegdheid de indiener van een beroepschrift, die, na daartoe in de gelegenheid te zijn gesteld, nalaat een zodanig verzuim te herstellen, niet-ontvankelijk te verklaren in zijn beroep. Dit laat evenwel onverlet dat de Hoge Raad, indien het beroepschrift de gronden van het beroep niet bevat, de uitspraak waarvan beroep zal kunnen vernietigen op een hem ambtshalve gebleken grond. Gelet op het hierna in 4 overwogene zal in het onderhavige geval niet-ontvankelijkverklaring achterwege blijven.

4. Ambtshalve beoordeling van 's Hofs uitspraak 4.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan:

4.1.1. Belanghebbende is ter zake van de invoer van tweedehands auto's gedurende de tijdvakken, vallende in de jaren 1987 tot en met 1989, een bedrag van in totaal ƒ 512.737,-- aan bijzondere verbruiksbelasting van personenauto's (hierna: BVP) verschuldigd geworden; over genoemde tijdvakken is steeds een nihil-aangifte gedaan.

4.1.2. Over het tijdvak tweede kwartaal 1989 heeft belanghebbende de - destijds bevoegde - inspecteur - de Inspecteur der omzetbelasting te Q - verzocht teruggaaf te verlenen van BVP ter zake van de uitvoer van tweedehands auto's. Na een afwijzende beschikking en een bij het Hof ingesteld beroep, dat vervolgens in overleg met die inspecteur werd ingetrokken, is de verzochte teruggaaf verleend, hoewel de wettelijke bepalingen niet toelaten dat teruggaaf van BVP wordt verleend ter zake van de uitvoer van gebruikte personenauto's.

4.1.3. Ook in andere ambtsgebieden werd een zodanige teruggaaf, vroeger in meerdere mate en ten tijde van de behandeling van de onderhavige zaak voor het Hof in mindere mate, wel verleend.

4.1.4. Met ingang van 1 januari 1991 is met betrekking tot de heffing van BVP van belanghebbende het Hoofd van de Belastingdienst Particulieren/Ondernemingen te P - de Inspecteur - de bevoegde inspecteur.

4.2. De Inspecteur heeft bij de onderhavige aanslag onder meer het hiervóór in 4.1.1 genoemde bedrag aan BVP nageheven, zich op het standpunt stellende dat er geen landelijk beleid bestond om teruggaven als vorenbedoeld te verlenen. Belanghebbende heeft voor het Hof het standpunt ingenomen dat, nu in andere ambtsgebieden dan die van de Inspecteur wel BVP werd teruggegeven ter zake van de uitvoer van gebruikte personenauto's, het gelijkheidsbeginsel wordt geschonden indien ter zake van de door hem uitgevoerde gebruikte personenauto's de BVP niet wordt teruggegeven.

4.3. Het Hof heeft geoordeeld dat in het onderhavige geval geen sprake is van schending van het gelijkheidsbeginsel, nu de Inspecteur de teruggaaf ook niet aan andere ondernemers verleent, waarbij het Hof de hiervóór in 4.1.3 omschreven omstandigheid mede in aanmerking heeft genomen.

4.4. Door met betrekking tot het beroep op het gelijkheidsbeginsel - welk beroep, gelet op hetgeen belanghebbende dienaangaande heeft gesteld, niet anders kan worden verstaan dan (mede) als een beroep op het vertrouwensbeginsel - slechts het - in dat oordeel besloten liggende - criterium te hanteren, dat de ten aanzien van belanghebbende thans bevoegde inspecteur niet is afgeweken van een door hemzelf gevolgde beleidslijn, heeft het Hof echter een onjuiste maatstaf aangelegd. Bij de beantwoording immers van de vraag of ten aanzien van belanghebbende het gelijkheidsbeginsel dan wel het vertrouwensbeginsel is geschonden, komt het niet uitsluitend erop aan of de inspecteur die de aanslag heeft opgelegd, ten tijde van het geding voor het Hof de bevoegde inspecteur was met betrekking tot de door belanghebbende genoemde gevallen waarin teruggaaf is verleend, doch kan evenzeer bepalend zijn of de inspecteur die ten aanzien van belanghebbende, hetzij in het tijdvak van naheffing, hetzij ten tijde van het opleggen van de aanslag of van de uitspraak op het bezwaarschrift, bevoegd was, niet is afgeweken van een door die inspecteur gevolgde beleidslijn.

4.5. Op grond van het vorenoverwogene kan 's Hofs uitspraak niet in stand blijven. Verwijzing moet volgen.

5. Proceskosten De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken.

6. Beslissing De Hoge Raad vernietigt de uitspraak van het Hof, verwijst het geding naar het Gerechtshof te 's-Gravenhage ter verdere behandeling en beslissing van de zaak in meervoudige kamer met inachtneming van dit arrest, en gelast dat door de Staatssecretaris van Financiën aan belanghebbende wordt vergoed het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie verschuldigd geworden griffierecht ten bedrage van ƒ 300,-.

Dit arrest is op 27 maart 1996 vastgesteld door de vice-president R.J.J. Jansen als voorzitter, en de raadsheren Van der Linde, Bellaart, De Moor en Van der Putt-Lauwers, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Van Hooff, en op die datum in het openbaar uitgesproken.