Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:1996:AA1846

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
06-03-1996
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
30780
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Meststoffenwet 13
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BNB 1996/153
FED 1996/248
FED 1996/329
WFR 1996/387
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

gewezen op het beroep in cassatie van de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Leeuwarden van 7 oktober 1994 betreffende na te melden aan X te Z opgelegde naheffingsaanslag in de overschotheffing op grond van de Meststoffenwet voor het tijdvak 1 mei 1987 tot en met 31 december 1987.

1. Naheffingsaanslag, bezwaar en geding voor het Hof Aan belanghebbende is voor het tijdvak 1 mei 1987 tot en met 31 december 1987 een naheffingsaanslag in voormelde overschotheffing opgelegd ten bedrage van ƒ 2.855,51 zonder toepassing van een verhoging. Deze naheffingsaanslag is, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur van het Bureau Heffingen van het Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij (hierna: de Inspecteur) gehandhaafd. Belanghebbende is tegen de uitspraak van de Inspecteur in beroep gekomen bij het Hof. Het Hof heeft die uitspraak alsmede de naheffingsaanslag vernietigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie De Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De Minister heeft de zaak doen toelichten door mr. R.L.H. IJzerman, advocaat bij de Hoge Raad.

3. Beoordeling van het middel 3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan. Op het bedrijf van belanghebbende, een pluimveehouder, is in het tijdvak van 1 mei 1987 (datum van inwerkingtreding van artikel 13 van de Meststoffenwet) tot en met 31 december 1987 7728 kilogram fosfaat aan droge pluimveemest in de zin van artikel 3 van de Regeling differentiatie overschotheffing II van 11 november 1988, nr. J 88/11934, St.crt. 223, (hierna: de Regeling) geproduceerd. In dat tijdvak is geen droge pluimveemest van belanghebbendes bedrijf afgevoerd. Afvoer van de in dat tijdvak geproduceerde mest heeft plaatsgevonden in februari 1988. In 1987 is in april voor het laatst droge pluimveemest van belanghebbendes bedrijf afgevoerd. Gerelateerd aan de landbouwgrond van belanghebbende bedraagt de mestproductie op zijn bedrijf per jaar meer dan 200 kilogram fosfaat per hectare. 3.2. Het Hof heeft geoordeeld dat hoewel tussen 1 mei en 31 december 1987 geen droge pluimveemest is afgevoerd, het verlaagde tarief zoals bepaald in de Regeling van toepassing is. Het middel keert zich terecht tegen dit oordeel. 3.3. Het bepaalde in de artikelen 3 en 6 van die Regeling houdt, voor zover in deze zaak van belang, slechts in zoverre een afwijking in van de tarievenstructuur van artikel 13, lid 4, van de Meststoffenwet dat de heffing die is verschuldigd ter zake van de in het heffingstijdvak geproduceerde hoeveelheid droge pluimveemest, wordt verlaagd met inachtneming van de in dat tijdvak afgevoerde hoeveelheid droge pluimveemest. 3.4. Uit het vorenoverwogene volgt dat in het onderhavige geval het verlaagde tarief over het tijdvak in 1987 niet van toepassing is. Het Hof heeft mitsdien ten onrechte het verlaagde tarief wel toegepast. Het middel is gegrond.

4. Proceskosten De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken.

5. Beslissing De Hoge Raad vernietigt de uitspraak van het Hof, behoudens de beslissing omtrent het griffierecht, bevestigt de uitspraak van de Inspecteur en bepaalt dat door de Griffier van de Hoge Raad aan de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij wordt terugbetaald het ter zake van de vervanging van de mondelinge uitspraak bij het Hof gestorte bedrag van ƒ 150,--.

Dit arrest is op 6 maart 1996 vastgesteld door de vice-president Stoffer als voorzitter, en de raadsheren Urlings, Zuurmond, Herrmann, C.H.M. Jansen, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Reijngoud, en op die datum in het openbaar uitgesproken.