Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:1996:AA1797

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
18-12-1996
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
31588
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BNB 1997/60
FED 1997/11
WFR 1997/34
V-N 1997/210, 17 met annotatie van Redactie
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

gewezen op het beroep in cassatie van X te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Arnhem van 27 september 1995 betreffende de hem voor het jaar 1991 opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/ premie volksverzekeringen.

1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof Aan belanghebbende is voor het jaar 1991 een aanslag in de inkomstenbelastingpremie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen van ƒ 533.653,--, waarvan ƒ 446.672,-- belast naar het tarief van artikel 57 van de Wet op de inkomstenbelasting 1964, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd. Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof, dat deze uitspraak heeft vernietigd en de aanslag heeft verminderd tot een aanslag, berekend naar een belastbaar inkomen van ƒ 503.653,--, waarvan ƒ 416.672,-- belast naar voormeld bijzonder tarief. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De Staatssecretaris van Financiën heeft bij vertoogschrift het cassatieberoep bestreden.

3. Beoordeling van de middelen van cassatie 3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan: Belanghebbende heeft bij akte, gedagtekend 15 april 1991, zijn te Q gelegen onroerend goed, alsmede het gehele op dat goed door hem uitgeoefende varkensopfokbedrijf, waaronder begrepen de daartoe behorende hinderwetvergunning voor 158 zeugen en 480 mestvarkens, de tot dat bedrijf behorende referentiehoeveelheid fosfaat van 7.760 kg (hierna: het mestquotum), en de tot dat bedrijf behorende levende have, verkocht voor een koopsom van ƒ 1.385.000,--. In de akte is deze koopsom als volgt gesplitst: ƒ 410.000,-- voor het woonhuis met garage, erf en tuin; ƒ 500.000,-- voor de stallen en verdere bedrijfsopstallen; ƒ 200.000,-- voor de onder- en bijgelegen grond, en ƒ 275.000,-- voor de levende have.

3.2. Voor het Hof was tussen partijen in geschil of van de hiervóór in 3.1 vermelde koopsom een gedeelte, te weten ƒ 105.000,--, moet worden toegerekend aan het overgedragen mestquotum, en of dit deel tot belanghebbendes stakingswinst moet worden gerekend. Deze vragen zijn door de Inspecteur bevestigend en door belanghebbende ontkennend beantwoord. 3.3. Het Hof heeft geoordeeld dat de Inspecteur terecht heeft verdedigd dat van de koopsom een deel groot ƒ 105.000,-- kan worden toegerekend aan het overgedragen mestquotum en dat dit deel tot belanghebbendes stakingswinst moet worden gerekend. Het Hof heeft dit oordeel gegrond op de in de punten 4.2 tot en met 4.4 van zijn uitspraak vermelde overwegingen. Tegen voormeld oordeel keert zich middel I.

3.4. Het middel is gegrond. De omstandigheid dat aan het mestquotum waarde kan worden toegekend, vormt, anders dan het Hof heeft geoordeeld, onvoldoende grondslag voor een bevestigende beantwoording van de hiervóór in 3.2 vermelde vragen. Daarvoor is immers beslissend of en zo ja tot welk bedrag koper en verkoper in werkelijkheid een prijs zijn overeengekomen voor het mestquotum. Nu het Hof niet heeft onderzocht of zulks zich in het onderhavige geval heeft voorgedaan, kan zijn uitspraak niet in stand blijven. Verwijzing moet volgen.

3.5. Middel II kan niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien artikel 101a van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu dit middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling. <>

4. Proceskosten De Hoge Raad acht termen aanwezig om ten aanzien van de proceskosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het geding in cassatie redelijkerwijs heeft moeten maken, te beslissen als hierna zal worden vermeld.

5. Beslissing De Hoge Raad vernietigt de uitspraak van het Hof, behoudens de beslissing omtrent het griffierecht, verwijst het geding naar het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch ter verdere behandeling en beslissing van de zaak in meervoudige kamer met inachtneming van dit arrest, gelast dat door de Staatssecretaris van Financiën aan belanghebbende wordt vergoed het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie verschuldigd geworden griffierecht van ƒ 300,--, en veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op ƒ 2.130,-- voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Dit arrest is op 18 december 1996 vastgesteld door de vice-president R.J.J. Jansen als voorzitter, en de raadsheren Van der Linde, Bellaart, De Moor en Van Brunschot, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Van Hooff, en op die datum in het openbaar uitgesproken. Bij ontstentenis van de voorzitter is dit arrest ondertekend door de raadsheer Van der Linde.