Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:1996:AA1766

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
27-11-1996
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
31618
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BNB 1997/98
FED 1996/985
WFR 1996/1818, 2
V-N 1996/4767, 14

Uitspraak

gewezen op het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Leeuwarden van 6 oktober 1995 betreffende na te melden aan X te Z voor het jaar 1989 opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting.

1. Aanslag, en geding voor het Hof Aan belanghebbende is voor het jaar 1989 een aanslag in de inkomstenbelasting opgelegd naar een belastbaar inkomen van ƒ 1.012.017,--, waarvan een bedrag van ƒ 473.136,-- is belast naar het bijzondere tarief van artikel 57, lid 2, (tekst 1989), van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (hierna: de Wet). Belanghebbende is, met schriftelijke toestemming van de Inspecteur op de voet van artikel 26, lid 3, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (tekst vóór 1 januari 1994), tegen die aanslag rechtstreeks in beroep gekomen bij het Hof, dat deze aanslag heeft verminderd tot een aanslag naar een belastbaar inkomen van ƒ 867.599,--, waarvan een bedrag van ƒ 737.069,-- te belasten naar het bijzondere tarief van artikel 57, lid 4, (tekst 1989), van de Wet. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie De Staatssecretaris van Financiën heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. Belanghebbende heeft een vertoogschrift ingediend.

3. Beoordeling van het middel 3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan. Belanghebbende was in 1980 houder van het gehele geplaatste en gestorte kapitaal in A B.V. en B B.V. Daarnaast was hij eigenaar van twee, door hem in de vorm van een eenmanszaak gedreven, supermarkten. In 1981 heeft belanghebbende alle aandelen in A B.V. verkocht en overgedragen aan B B.V., waarvan de naam op 9 maart 1982 is gewijzigd in E B.V. Tevens heeft belanghebbende in 1981 zijn twee in de vorm van een eenmanszaak gedreven supermarkten met toepassing van artikel 18 van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (hierna: de Wet) geruisloos ingebracht in de daartoe door hem opgerichte besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid C B.V., per 24 december 1982 genaamd D B.V. Met ingang van 1 januari 1983 droeg D B.V. haar ondernemingen (geruisloos) met toepassing van artikel 14, lid 1, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 over aan E B.V. tegen uitreiking van aandelen. In 1983 droeg E B.V. haar onderscheidene ondernemingen over aan drie nieuw opgerichte dochtervennootschappen. In 1989 heeft belanghebbende de aandelen in D B.V., nadat E B.V. in 1986 de door haar aan D B.V. uitgegeven aandelen had ingekocht, aan een derde verkocht. Belanghebbende heeft ter zake van de vervreemding van de aandelen D B.V. winst uit aanmerkelijk belang aangegeven. De Inspecteur heeft zich op het standpunt gesteld dat ter zake van de vervreemding van die aandelen de bij de verkoop behaalde opbrengst, verminderd met het gemiddeld op die aandelen gestorte kapitaal, aangemerkt dient te worden als op de voet van artikel 24 van de Wet belaste inkomsten uit vermogen, waarop het tarief van artikel 57, lid 2, van de Wet van toepassing is. 3.2. Het Hof heeft geoordeeld dat de Inspecteur niet aannemelijk heeft gemaakt dat belanghebbende, die om zakelijke redenen tot herstructurering van zijn ondernemingen en vennootschappen overging, uit de onderscheiden wegen die tot de gewenste concernstructuur leidden, voor de door hem gevolgde weg heeft gekozen met als doorslaggevende beweegreden het verijdelen van belastingheffing. Dit oordeel behoefde geen nadere motivering dan het Hof heeft gegeven. Anders dan in het middel wordt betoogd was het Hof niet gehouden voor elk van de door de Inspecteur bedachte - voor belanghebbende fiscaal minder gunstige - wegen uitdrukkelijk aan te geven waarom het niet bewandelen daarvan niet ertoe leidde dat moest worden aangenomen dat de keuze voor de wel bewandelde weg was ingegeven door het oogmerk belastingheffing te verijdelen. In zoverre faalt het middel. 3.3. Het Hof heeft de onder 3.1 omschreven rechtshandelingen beoordeeld als een samenhangend geheel, dat vanuit de situatie in 1981 moest leiden tot de uiteindelijke concernstructuur. Kennelijk heeft het Hof de inkoop van eigen aandelen door E BV gezien als nog deel uitmakend van dit, om zakelijke redenen tot stand gebrachte, samenhangende geheel van rechtshandelingen. Daarvan uitgaande heeft het Hof terecht geoordeeld dat de latere verkoop van de aandelen D BV niet kan worden aangemerkt als een handeling in strijd met doel of strekking van de wet. Aldus heeft het Hof de stelling van de Inspecteur dat de inkoop van de aandelen door E BV gevolgd door de verkoop van de aandelen D BV, samen genomen maar los van de overige rechtshandelingen, moet worden beschouwd als een handeling in fraudem legis voldoende gemotiveerd verworpen. Het middel faalt derhalve ook voor het overige.

4. Proceskosten De Hoge Raad acht termen aanwezig om ten aanzien van de proceskosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het geding in cassatie redelijkerwijs heeft moeten maken, te beslissen als hierna zal worden vermeld.

5. Beslissing De Hoge Raad verwerpt het beroep en veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op ƒ 2.840,-- voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Dit arrest is op 27 november 1996 vastgesteld door de vice-president Stoffer als voorzitter, en de raadsheren Urlings, Zuurmond, Fleers en Pos, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Barendse, en op die datum in het openbaar uitgesproken.

Van de Staatssecretaris van Financiën wordt ter zake van dit beroep in cassatie een recht geheven van ƒ 300,--.