Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:1996:AA1760

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
11-12-1996
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
31458
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 1997-0014
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

gewezen op het beroep in cassatie van X te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 5 juli 1995 betreffende de hem voor het jaar 1991 opgelegde aanslag inkomstenbelastingpremie volksverzekeringen.

1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof Aan belanghebbende is voor het jaar 1991 een aanslag inkomstenbelastingpremie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen van ƒ 105.857,--, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd. Belanghebbende is van de uitspraak van de Inspecteur in beroep gekomen bij het Hof. Het Hof heeft die uitspraak vernietigd en de aanslag verminderd tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen van ƒ 105.390,--. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De Staatssecretaris van Financiën heeft een vertoogschrift ingediend.

3. Beoordeling van de middelen 3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan. Belanghebbende was in het onderhavige jaar, 1991, eigenaar van een woning die in gebruik was bij zijn 22-jarige zoon. Tijdens het eerste half- jaar heeft belanghebbende de bewoning door zijn zoon gedoogd. Voor het tweede halfjaar zijn partijen een huurprijs van ƒ 200,-- per maand overeengekomen. Ter zake van het onderhavige pand heeft belanghebbende - voor zover hier van belang - ƒ 2.400,-- als economische huurwaarde aangegeven en ƒ 7.941,-- en ƒ 360,-- aan respectievelijk onderhoudskosten en afschrijvingen ten laste van zijn inkomen gebracht. De Inspecteur heeft bij het opleggen van de aanslag voor het gehele jaar het huurwaardeforfait toegepast. 3.2. In cassatie wordt - terecht - niet het oordeel van het Hof bestreden dat het huurwaardeforfait van toepassing is op de gedoogsituatie van het eerste halfjaar. In de middelen I en II herhaalt belanghebbende echter zijn door het Hof verworpen betoog dat het huurwaardeforfait in dit geval desalniettemin buiten toepassing moet blijven op grond van het "beginsel van behoorlijke wetgeving" (middel I) dan wel het vertrouwensbeginsel (middel II). 3.3. Beide middelen falen. Het in het eerste middel bestreden, in 's Hofs uitspraak onder 6.2 opgenomen oordeel is juist. Het in het tweede middel bestreden, in de uitspraak onder 6.3 opgenomen, oordeel geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Voor het overige is het van feitelijke aard en behoefde het wat betreft het beroep op de aanslagregeling over 1990 geen nadere motivering. Wat betreft het beroep op de aanslagregeling over 1992 en 1993 heeft het Hof zijn oordeel niet gemotiveerd. Tot cassatie kan dit echter niet leiden. Te dezen moet veronderstellenderwijs worden uitgegaan van de juistheid van belanghebbendes voor het Hof aangevoerde stelling dat de aanslagen over 1992 en 1993 overeenkomstig de aangiften in de loop van het geding in 1994 en 1995 zijn opgelegd. Nu de Inspecteur desondanks zijn stellingname in het geding niet heeft gewijzigd is geen andere conclusie mogelijk dan dat deze aanslagen bij belanghebbende redelijkerwijs niet de indruk hebben kunnen wekken dat de Inspecteur zijn standpunt in deze aangelegenheid had herzien. 3.4. Middel III komt op tegen 's Hofs oordeel dat het de Inspecteur erin geslaagd acht aannemelijk te maken dat een bedrag van ƒ 200,-- per maand als huur voor het pand geen reële huur is, en dat een huur van ƒ 371,-- als minimum heeft te gelden. Dit oordeel berust op de aan het Hof voorbehouden keuze en waardering van de bewijsmiddelen. Middel III faalt derhalve eveneens. 3.5. Volgens middel IV heeft het Hof bij de toepassing van artikel 36, lid 8, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (hierna: de Wet) ten onrechte, in strijd met artikel 38, lid 1, de gedurende het gehele jaar gemaakte onderhoudskosten naar evenredigheid, dus voor de helft, toegerekend aan de gedurende het tweede halfjaar - toen de woning verhuurd was - genoten inkomsten, in plaats van de feitelijk in die periode gemaakte kosten (volgens belanghebbende ƒ 7.428,--) geheel in aanmerking te nemen. 3.6. Het middel slaagt in zoverre dat de tijdsevenredige verdeling van de onderhoudskosten niet als juist kan worden aanvaard. De periode waarin sprake was van een eigen woning en de periode waarin sprake was van een - tegen te lage prijs - verhuurde woning moeten wat betreft de aftrekbaarheid van de onderhoudskosten elk naar hun eigen regels worden beoordeeld. Anders dan in het middel wordt bepleit kan de vraag naar de aftrekbaarheid van de onderhoudskosten in elk van die perioden echter niet worden beantwoord aan de hand van artikel 38 van de Wet. Aan de vraag naar het tijdstip van aftrek gaat immers vooraf de vraag in hoeverre het gaat om voor aftrek in aanmerking komende kosten. Voor werkzaamheden verricht in de periode waarin - voor het geheel - sprake was van een eigen woning verhindert artikel 42a, lid 1, van de Wet aftrek van onderhoudskosten; voor werkzaamheden verricht in de verhuurperiode volgt aftrekbaarheid - voor het door het Hof vastgestelde evenredige deel - uit artikel 35 van de Wet (H.R. 19 mei 1976, nr 17.957, BNB 1976/154). Verwijzing moet volgen opdat zal worden onderzocht welk deel van de in dit jaar betaalde kosten kan worden toegerekend aan de werkzaamheden die zijn verricht na het door het Hof op omstreeks 30 juni 1991 gestelde tijdstip waarop de bestemming tot verhuur kwam vast te staan. 3.7. Uit de gegrondbevinding van middel IV volgt dat middel V geen behandeling meer behoeft.

4. Proceskosten De Hoge Raad acht termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als hierna vermeld. Daarbij verdient opmerking dat na te melden vernietiging zich tevens uitstrekt tot de beslissing van het Hof omtrent de proceskosten, en dat derhalve de vraag of aan belanghebbende voor deze kosten een vergoeding dient te worden toegekend, door het verwijzingshof zal moeten worden beoordeeld.

5. Beslissing De Hoge Raad - vernietigt de uitspraak van het Hof, behoudens de beslissing omtrent het griffierecht, - verwijst het geding naar het Gerechtshof te Amsterdam ter verdere behandeling en beslissing van de zaak in meervoudige kamer, met inachtneming van dit arrest, - veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op ƒ 1.420,--, voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand en - gelast dat door de Staatssecretaris van Financiën aan belanghebbende wordt vergoed het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie verschuldigd geworden griffierecht ten bedrage van ƒ 300,--.

Dit arrest is op 11 december 1996 vastgesteld door de vice-president Stoffer als voorzitter, en de raadsheren Urlings, Zuurmond, Fleers en Pos, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Reijngoud, en op die datum in het openbaar uitgesproken.