Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:1996:AA1735

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
25-09-1996
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
31343
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 1999/24.4 met annotatie van Redactie
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

gewezen op het beroep in cassatie van X te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 30 mei 1995 betreffende de hem voor het jaar 1990 opgelegde aanslag inkomstenbelastingpremie volksverzekeringen.

1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof Aan belanghebbende is voor het jaar 1990 een aanslag inkomstenbelastingpremie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen van ƒ 220.973,--, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd. Belanghebbende is van de uitspraak van de Inspecteur in beroep gekomen bij het Hof. Het Hof heeft die uitspraak bevestigd.

2. Geding in cassatie Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld en daarbij een middel van cassatie voorgesteld. De Staatssecretaris van Financiën heeft een vertoogschrift ingediend.

3. Beoordeling van de middel 3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan. 3.1.1. In augustus 1989 is de in 1976 geboren tot belanghebbendes gezin behorende dochter A op medisch advies in een schoolinternaat geplaatst; zij verbleef daar ook in het onderhavige jaar 1990. De in het internaat geboden verzorging omvatte geen medische behandeling; er verblijven gezonde kinderen die gewoon onderwijs volgen. Aan belanghebbende is voor het verblijf niet meer in rekening gebracht dan aan de ouders van andere kinderen. 3.1.2. Belanghebbende oefent in maatschapsverband met zijn echtgenote en 3 anderen het beroep van fysiotherapeut uit. In maart 1991 is bij de maatschap een boekenonderzoek gehouden met betrekking tot de jaren 1987 tot en met 1989. Door de controlerend ambtenaar gevraagd naar een toelichting op de als buitengewone lasten opgevoerde internaatskosten heeft belanghebbende bij die gelegenheid geantwoord dat A op medische indicatie op het internaat verbleef. De controlerend ambtenaar heeft daarop ter zake geen nader onderzoek ingesteld of opmerkingen gemaakt, ook niet in het vervolg van het onderzoek. 3.1.3. Anders dan voor het jaar 1989 heeft de Inspecteur de internaatskosten voor 1990 niet in aftrek aanvaard. 3.2. Het Hof heeft het standpunt van belanghebbende, dat hij erop mocht vertrouwen dat de Inspecteur de internaatskosten ook voor 1990 in aftrek zou aanvaarden, verworpen op grond van zijn oordeel dat belanghebbende niet de indruk kan hebben verkregen dat met betrekking tot de toelaatbaarheid van het in aftrek brengen van die kosten sprake is geweest van een bewuste standpuntbepaling aan de zijde van de Inspecteur. 3.3. Dit oordeel geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en kan voor het overige als van feitelijke aard en niet onbegrijpelijk in cassatie niet met vrucht worden bestreden. Het middel, dat zich tegen dit oordeel richt, faalt derhalve.

4. Proceskosten De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken.

5. Beslissing De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is op 25 september 1996 vastgesteld door de vice-president Stoffer als voorzitter, en de raadsheren Fleers en Pos, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Boorsma, en op die datum in het openbaar uitgesproken.