Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:1996:AA1733

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
06-11-1996
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
31355
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wet op de belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992 1, geldigheid: 1996-11-06
Wet op de belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992 1, geldigheid: 1996-11-06
Wet op de belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992 3 (oud), geldigheid: 1996-11-06
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BNB 1996/414
FED 1996/918
WFR 1996/1696
V-N 1997/1673, 22

Uitspraak

gewezen op het beroep in cassatie van de vennootschap onder firma X te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Arnhem van 1 juni 1995 betreffende na te melden naheffingsaanslag in de belasting van personenauto's en motorrijwielen.

1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof Aan belanghebbende is een naheffingsaanslag in de belasting van personenauto's en motorrijwielen opgelegd ten bedrage van ƒ 14.539,-- aan enkelvoudige belasting en, na kwijtschelding tot op 25 percent, ƒ 3.635,-- aan verhoging, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd, met het besluit de opgelegde verhoging tot op 10 percent kwijt te schelden. Belanghebbende is tegen die uitspraak en dat besluit in beroep gekomen bij het Hof, dat deze uitspraak en dit besluit heeft vernietigd, de naheffingsaanslag voor wat betreft de enkelvoudige belasting heeft gehandhaafd en heeft bepaald dat daarin geen verhoging wordt begrepen. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De Staatssecretaris van Financiën heeft bij vertoogschrift het cassatieberoep bestreden. Na het verstrijken van de cassatietermijn heeft belanghebbende nog een geschrift ingediend. Op dat stuk kan echter geen acht worden geslagen, nu de wet niet de mogelijkheid biedt dit stuk in te dienen. Belanghebbende heeft de zaak doen toelichten door mr D. van Kampen, advocaat te Utrecht.

3. Beoordeling van de middelen van cassatie 3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan:

3.1.1. In 1992 heeft belanghebbende een bestelauto van het merk Volkswagen aangeschaft (hierna: de auto). De auto was voorzien van een zogenoemde dubbele cabine en is op 14 mei 1992 ten name van belanghebbende geregistreerd als "bedrijfsvoertuig". Nadien heeft geen registratie als personenauto plaatsgehad. Na de levering van de auto heeft belanghebbende in de loop van 1992 de inrichting van de auto gewijzigd als omschreven in 1.6 van de uitspraak van het Hof, welke wijziging tot een vergroting van de (dubbele) cabine heeft geleid. Niet is komen vast te staan dat na bedoelde wijziging met de auto geen gebruik in Nederland van de weg als bedoeld in de Wegenverkeerswet is gemaakt vóór 1 januari 1993. 3.1.2. Op 16 augustus 1993 is de auto onderzocht door ambtenaren der invoerrechten en accijnzen. Naar aanleiding van de uitkomst van dit onderzoek heeft de Inspecteur de onderhavige naheffingsaanslag opgelegd. Daarbij heeft de Inspecteur zich op het standpunt gesteld dat de auto niet voldeed aan de in artikel 3, lid 2, letter b, aanhef en 3°, van de Wet op de belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992 (tekst 1993; hierna: de Wet) neergelegde eis dat de laadruimte een lengte bezit van ten minste tweederde van de lengte die de laadruimte zou hebben gehad, indien de auto niet was voorzien van een dubbele cabine, zodat hij een personenauto was in de zin van de Wet.

3.2. Het Hof heeft geoordeeld dat uit hetgeen partijen hebben aangevoerd, niet is gebleken dat de auto reeds in 1992 in de toenmalige bijzondere verbruiksbelasting van personenauto's had moeten zijn betrokken of dat, naar de toen geldende regeling belasting verschuldigd was geworden, die ten onrechte door de Inspecteur niet was nageheven, zodat niet op grond van de Wet, doch op grond van de Wet op de omzetbelasting 1968 zou moeten worden nageheven. Tegen dit oordeel komt middel Ia op.

3.3. Ingevolge het bepaalde in artikel 1, leden 2 en 3, van de Wet - welke met ingang van 1 januari 1993 in werking is getreden - is belasting van personenauto's en motorrijwielen verschuldigd - voor zover te dezen van belang - ter zake van registratie van een personenauto dan wel, ingeval een geregistreerd ander motorrijtuig dan een personenauto in zodanige staat wordt gebracht dat het een personenauto is, ter zake van de registratie als personenauto dan wel, indien geen nieuw kenteken wordt opgegeven, ter zake van de aanvang van het gebruik als personenauto in Nederland van de weg in de zin van de Wegenverkeerswet.

3.4. De hiervóór in 3.1. vermelde feiten laten geen andere gevolgtrekking toe dan dat, ook indien, na de wijziging door belanghebbende in de loop van 1992 van de inrichting van de auto, de auto als een personenauto moet worden aangemerkt, zich na de invoering van de Wet geen feiten hebben voorgedaan ter zake waarvan belasting van personenauto's verschuldigd is geworden. Immers na de invoering van de Wet heeft geen registratie plaatsgevonden, evenmin is komen vast te staan dat nadien een aanvang is gemaakt met het gebruik van de auto als personenauto in Nederland van de weg in de zin van de Wegenverkeerswet.

3.5. Het middel treft derhalve doel. 's Hofs uitspraak kan niet in stand blijven. De Hoge Raad kan zelf de zaak afdoen. De overige middelen behoeven geen behandeling. De uitspraak van de Inspecteur alsmede de naheffingsaanslag moeten worden vernietigd.

4. Proceskosten De Hoge Raad acht termen aanwezig om ten aanzien van de proceskosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het geding in cassatie redelijkerwijs heeft moeten maken, te beslissen als hierna zal worden vermeld.

5. Beslissing De Hoge Raad vernietigt de uitspraak van het Hof, behoudens de beslissingen omtrent het griffierecht en de proceskosten, vernietigt de uitspraak van de Inspecteur alsmede de naheffingsaanslag, gelast dat door de Staatssecretaris van Financiën aan belanghebbende wordt vergoed het ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie verschuldigd geworden griffierecht ten bedrage van ƒ 300,--, en veroordeelt de Staatssecretaris in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op ƒ 2.840,-- voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Dit arrest is op 6 november 1996 vastgesteld door de raadsheer De Moor als voorzitter, en de raadsheren Van der Putt-Lauwers en Van Brunschot, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Van Hooff, en op die datum in het openbaar uitgesproken.