Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:1996:AA1729

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
30-10-1996
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
31450
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Algemene wet inzake rijksbelastingen 9, geldigheid: 1996-10-30
Algemene wet inzake rijksbelastingen 11, geldigheid: 1996-10-30
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BNB 1996/410
FED 1996/894
WFR 1996/1656, 2
V-N 1996/4468, 8

Uitspraak

gewezen op het beroep in cassatie van X te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 27 april 1995 betreffende de hem voor het jaar 1987 opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting.

1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof Aan belanghebbende is voor het jaar 1987 een aanslag in de inkomstenbelasting opgelegd naar een belastbaar inkomen van ƒ 46.112,--, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd. Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof, dat deze uitspraak heeft vernietigd en de aanslag heeft verminderd tot een aanslag naar een belastbaar inkomen van ƒ 46.112,--, met toekenning van een bedrag van ƒ 130.942,-- aan investeringsbijdragen. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De Staatssecretaris van Financiën heeft bij vertoogschrift het cassatieberoep bestreden.

3. Beoordeling van 's Hofs uitspraak naar aanleiding van de middelen van cassatie en ambtshalve 3.1. Middel I herhaalt het door belanghebbende voor het Hof ingenomen standpunt, kort gezegd, dat de onderhavige aanslag - gedagtekend 31 maart 1992 - niet binnen de in artikel 11, lid 3, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen gestelde termijn is opgelegd aangezien deze termijn, wanneer rekening wordt gehouden met een verleend uitstel tot en met 15 juni 1989, eindigde op 15 maart 1992.

3.2. Het Hof heeft dit standpunt van belanghebbende verworpen. Dienaangaande heeft het Hof, voor zover in cassatie van belang, overwogen - zakelijk weergegeven - dat het aannemelijk is dat A als gemachtigde van belanghebbende optrad bij - naar in 's Hofs uitspraak ligt besloten - het verzorgen van diens aangifte inkomstenbelasting 1987, en dat namens A op 13 februari 1989 bijzonder consulentenuitstel is aangevraagd voor 56 belastingplichtigen, onder wie belanghebbende. Het Hof heeft voorts geoordeeld dat dit gevraagde uitstel is verkregen, en wel tot 1 juli 1989. Deze oordelen zijn van feitelijke aard en niet onbegrijpelijk, zodat zij in cassatie niet met vrucht kunnen worden bestreden.

3.3. Uitgaande van het - op verzoek - verleende uitstel tot 1 juli 1989, heeft het Hof terecht geoordeeld dat de onderhavige aanslag tijdig is opgelegd. Middel I kan derhalve niet tot cassatie leiden.

3.4. Middel II keert zich tegen 's Hofs oordeel dat de Inspecteur het pand b-straat 1 te R (hierna: het pand) terecht heeft aangemerkt als verplicht ondernemingsvermogen.

3.5. Het Hof heeft dit oordeel doen steunen op zijn vaststelling dat het pand voor het overgrote deel - waarmee het Hof kennelijk gezien punt 4.2 van zijn uitspraak bedoelt: nagenoeg geheel - was bestemd voor en ingericht, en ook feitelijk bijna geheel werd gebruikt, als kantoorruimte. Deze vaststelling kan als van feitelijke aard en niet onbegrijpelijk in cassatie niet met vrucht worden bestreden. Aan deze vaststelling heeft het Hof terecht de gevolgtrekking verbonden dat belanghebbende in strijd met de redelijkheid handelt door dit pand tot zijn privé-vermogen te rekenen. Middel II faalt derhalve eveneens.

3.6. Uit de door het Hof vastgestelde feiten volgt dat belanghebbende ter zake van het onderhavige pand verplichtingen is aangegaan op 6 februari 1987. Dit betekent, gelet op het bepaalde in de voor het onderhavige jaar geldende tekst van artikel 61 van de Wet op de inkomstenbelasting 1964, dat de vermindering van de op de voet van hoofdstuk V van evenvermelde wet berekende belasting over 1987 met de toegekende investeringsbijdragen niet verder kan plaatsvinden dan tot nihil. Nu de op vorenbedoelde wijze berekende belasting ƒ 7.752,-- bedraagt, en - naar het Hof heeft beslist - de investeringsbijdragen ƒ 130.942,-- beliepen, had het Hof, anders dan het heeft gedaan, de aanslag moeten verminderen tot een aanslag van nihil.

3.7. Uit het hiervóór in 3.6 overwogene volgt dat 's Hofs uitspraak niet in stand kan blijven. De Hoge Raad kan zelf de zaak afdoen.

4. Proceskosten De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken.

5. Beslissing De Hoge Raad vernietigt de uitspraak van het Hof, behoudens de beslissing omtrent het griffierecht, vernietigt de uitspraak van de Inspecteur, vermindert de aanslag tot een aanslag van nihil, en gelast dat door de Staatssecretaris van Financiën aan belanghebbende wordt vergoed het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie verschuldigd geworden griffierecht van ƒ 300,--.

Dit arrest is op 30 oktober 1996 vastgesteld door de vice-president R.J.J. Jansen als voorzitter, en de raadsheren Bellaart, De Moor, Van der Putt- Lauwers en Van Brunschot, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Van Hooff, en op die datum in het openbaar uitgesproken.