Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:1996:AA1717

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
23-10-1996
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
31560
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Algemene wet inzake rijksbelastingen 16, geldigheid: 1996-10-23
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BNB 1997/7
FED 1996/945
FED 1996/873
WFR 1996/1619
V-N 1996/4261, 8

Uitspraak

gewezen op het beroep in cassatie van X te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 18 juli 1995 betreffende na te melden navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting.

1. Aanslag en geding voor het Hof Aan belanghebbende is over het jaar 1988 een navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting opgelegd naar een belastbaar inkomen van ƒ 257.812,--, waarvan een bedrag van ƒ 232.500,-- belast naar het tarief van artikel 57, lid 4, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (tekst 1988, hierna: de Wet), met een verhoging van de nagevorderde belasting van 100%, van welke verhoging bij besluit van de Inspecteur tot op 25% kwijtschelding is verleend. Belanghebbende is tegen die navorderingsaanslag en dit kwijtscheldingsbesluit in beroep gekomen bij het Hof, dat deze aanslag heeft gehandhaafd, het kwijtscheldingsbesluit heeft vernietigd en van de verhoging kwijtschelding heeft verleend tot op 10%. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De Staatssecretaris van Financiën heeft bij vertoogschrift het cassatieberoep bestreden.

3. Beoordeling van het middel van cassatie 3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan: Op 30 november 1988 hebben belanghebbende en zijn broer, G hun aandelen in B B.V. verkocht, met welke vervreemding belanghebbende in dat jaar winst uit aanmerkelijk belang in de zin van artikel 39 van de Wet heeft behaald ten bedrage van ƒ 232.500,--. Van deze winst heeft belanghebbende geen aangifte gedaan. De Inspecteur heeft belanghebbende ter zake van deze winst een navorderingsaanslag opgelegd.

3.2. Het Hof heeft vastgesteld dat de op de hiervóór in 3.1 vermelde datum bij de Inspectie der Registratie en Successie geregistreerde akte van aandelenoverdracht door deze inspectie niet is gerenseigneerd aan de Inspecteur, althans dat een zodanig renseignement het dossier inkomstenbelasting van belanghebbende niet heeft bereikt.

3.3. Het Hof heeft - voor zover in cassatie van belang - overwogen: dat de stelling van belanghebbende dat geen nieuw feit aanwezig is dat navordering rechtvaardigt, moet worden verworpen; dat het Hof door de Inspecteur voldoende aannemelijk gemaakt acht dat de feiten die ten grondslag liggen aan de bestreden navorderingsaanslag ten tijde dat uiterlijk een primitieve aanslag kon worden opgelegd, ultimo 1991, aan hem niet bekend waren of redelijkerwijs bekend hadden kunnen zijn. Voorts heeft het Hof overwogen dat noch de wetenschap van de inspecteur der Registratie en Successie in 1988 omtrent de aandelenvervreemding, noch de eventuele bekendheid met die vervreemding bij de inspecteur der vennootschapsbelasting, die in 1991 met de regeling van de aanslag voor de vennootschapsbelasting 1987/1988 van C B.V. - voorheen een dochtervennootschap van B B.V. - was belast, aan de Inspecteur kan worden toegerekend en dat voornoemde inspecteurs geen verplichting tot renseignering aan de Inspecteur hadden, terwijl vóór ultimo 1991 van de door de Inspecteur ter zitting vermelde integratie van de belastingdienst nog geen sprake was.

3.4. Bij de beoordeling van de vraag of sprake is van een ambtelijk verzuim dat navordering verhindert, dient tot uitgangspunt te worden genomen dat zulks het geval is, indien een renseignement, dat op de inspectie is binnengekomen en waarvan duidelijk is dat het op de belastingplichtige betrekking heeft, niet binnen redelijke termijn in het betreffende die belastingplichtige aanwezige of te vormen dossier is gedeponeerd. Het Hof had, oordelende over de aanwezigheid van een ambtelijk verzuim dat navordering verhindert, derhalve niet in het midden mogen laten of al dan niet een renseignement als vorenbedoeld op de inspectie is binnengekomen. Het middel slaagt. 's Hofs uitspraak kan niet in stand blijven; verwijzing dient te volgen.

4. Proceskosten De Hoge Raad acht, in aanmerking genomen dat de zaak met nummer 31.561, die betrekking heeft op een andere belanghebbende, met de onderhavige zaak samenhangt in de zin van het Besluit proceskosten fiscale procedures, termen aanwezig om ten aanzien van de proceskosten die belanghebbende in verband met de behandeling van zijn beroep in cassatie redelijkerwijs heeft moeten maken, te beslissen als hierna zal worden vermeld.

5. Beslissing De Hoge Raad vernietigt de uitspraak van het Hof, verwijst het geding naar het Gerechtshof te Amsterdam ter verdere behandeling en beslissing van de zaak in meervoudige kamer met inachtneming van dit arrest, gelast dat door de Staatssecretaris van Financiën aan belanghebbende wordt vergoed het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie verschuldigd geworden griffierecht ten bedrage van ƒ 300,--, en veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op de helft van ƒ 2.130,--, derhalve ƒ 1.065,-- voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Dit arrest is op 23 oktober 1996 vastgesteld door de vice-president R.J.J. Jansen als voorzitter, en de raadsheren Van der Linde en Van der Putt-Lauwers, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Van Hooff, en op die datum in het openbaar uitgesproken.