Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:1996:AA1705

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
21-08-1996
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
29457
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Algemene wet inzake rijksbelastingen 29, geldigheid: 1996-08-21
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BNB 1997/1
FED 1996/852
FED 1996/720
WFR 1996/1304
V-N 1996/3632, 8

Uitspraak

gewezen op het beroep in cassatie van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid X B.V. te Z (Spanje) tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 19 januari 1993 betreffende de haar voor het jaar 1983 opgelegde aanslag in de vennootschapsbelasting.

1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof Aan belanghebbende is voor het jaar 1983 een aanslag in de vennootschapsbelasting opgelegd naar een belastbaar bedrag van ƒ 200.000,--, met een verhoging wegens niet tijdige aangifte groot ƒ 1.000,--. In het tegen die aanslag gemaakte bezwaar heeft de Inspecteur bij uitspraak belanghebbende niet-ontvankelijk verklaard. Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof, dat deze uitspraak heeft vernietigd, de aanslag heeft gehandhaafd voor wat betreft het bedrag aan enkelvoudige belasting en de toegepaste verhoging heeft vernietigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De Staatssecretaris van Financiën heeft bij vertoogschrift het cassatieberoep bestreden. Na het verstrijken van de cassatietermijn heeft belanghebbende nog een geschrift ingediend. Op dit stuk kan echter geen acht worden geslagen, nu de wet niet de mogelijkheid biedt zodanig stuk in te dienen. Belanghebbende heeft de zaak doen toelichten door mr P.J. Trijzelaar, advocaat te 's-Gravenhage.

3. Ambtshalve beoordeling van 's Hofs uitspraak 3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan: De activiteiten van belanghebbende bestaan uit het voeren van directie over een groot aantal vennootschappen, die door middel van de (groot)moedervennootschap, C B.V. (hierna: C) met elkaar zijn verbonden. Op 23 februari 1983 heeft belanghebbende alle aandelen gekocht in B B.V. voor een aankoopprijs van ƒ 3.082.116,-- en op 27 december 1983 heeft zij alle aandelen in A B.V. gekocht voor een aankoopprijs van ƒ 592.517,18. Op het verzoek van belanghebbende om toepassing van artikel 15 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 teneinde tot een fiscale eenheid van onder meer belanghebbende met C te komen, is afwijzend beslist. Belanghebbende heeft vanaf het boekjaar 1982 geen aangifte meer gedaan. Het haar uitgereikte aangiftebiljet 1983 heeft zij niet binnen de daarop gestelde termijn ingeleverd. De onderhavige aanslag is opgelegd naar een geschat belastbaar bedrag van ƒ 200.000,--, waarbij de Inspecteur is uitgegaan van een rendement van 10% van het vermogen van belanghebbende, zijnde dit rendement ƒ 350.000,--, en van op deze opbrengst drukkende kosten van ƒ 150.000,--. Het vermogen is door de Inspecteur gesteld op ƒ 3.500.000,--, zijnde het bedrag waarvoor belanghebbende in het onderhavige jaar de aandelen in A B.V. en in B B.V. heeft gekocht.

3.2. Het Hof heeft geoordeeld dat, nu belanghebbende niet de vereiste aangifte heeft gedaan, ingevolge artikel 29, lid 2, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen het beroep dient te worden afgewezen, tenzij gebleken is - dat wil zeggen overtuigend is aangetoond - dat en in hoeverre de uitspraak van de Inspecteur onjuist is.

3.3. Het Hof heeft voorts geoordeeld dat belanghebbende niet overtuigend heeft aangetoond dat haar vermogen in het onderhavige jaar gemiddeld minder dan ƒ 3.500.000,-- bedroeg en evenmin dat en in hoeverre de door de Inspecteur geschatte nettowinst op een te hoog bedrag is gesteld, en dat daartoe in elk geval onvoldoende is de enkele stelling van belanghebbende dat zij over het onderwerpelijke boekjaar een verlies heeft geleden van ƒ 32.000,-- en beschikte over compensabele verliezen uit voorgaande jaren van ƒ 670.000,--.

3.4. Bij de schatting van het belastbare bedrag over het onderwerpelijke jaar is de Inspecteur uitgegaan van een eigen vermogen van ƒ 3.500.000,--, dat geheel is geïnvesteerd in 100% deelnemingen, te weten in B B.V. en in A B.V. Nu niet waarschijnlijk is dat in het onderhavige jaar op de desbetreffende aandelen - die eerst met ingang van het volgende jaar tot toepassing van de deelnemingsvrijstelling konden leiden, - een tot de winst behorend dividend tot een bedrag van 10% van het vermogen is uitgekeerd, kan de schatting van de Inspecteur zonder nadere motivering niet als redelijk worden aangemerkt. Het Hof had daarom deze schatting zonder nadere motivering niet mogen aanvaarden. 's Hofs uitspraak kan niet in stand blijven. Verwijzing moet volgen.

4. Proceskosten De Hoge Raad acht termen aanwezig om ten aanzien van de proceskosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het geding in cassatie redelijkerwijs heeft moeten maken, te beslissen als hierna zal worden vermeld.

5. Beslissing. De Hoge Raad vernietigt de uitspraak van het Hof, behoudens de beslissing omtrent het griffierecht, verwijst het geding naar het Gerechtshof te 's-Gravenhage ter verdere behandeling en beslissing van de zaak in meervoudige kamer met inachtneming van dit arrest, gelast dat door de Staatssecretaris van Financiën aan belanghebbende wordt vergoed het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie verschuldigd geworden griffierecht ten bedrage van ƒ 300,--, en veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op ƒ 5.680,-- voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Dit arrest is gewezen door de vice-president R.J.J. Jansen als voorzitter, en de raadsheren Van der Linde, Bellaart, Van der Putt-Lauwers en Van Brunschot, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Van Hooff, in raadkamer van 21 augustus 1996.