Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:1996:AA1516

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
04-12-1996
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
31879
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BNB 1997/367
FED 1997/751
V-N 1997/4097, 10 met annotatie van Redactie
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

gewezen op het beroep in cassatie van X te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 6 september 1995 betreffende een beschikking op een verzoek als bedoeld in artikel 70, lid 2, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964.

1. Beschikking, bezwaar en geding voor het Hof Op een op 10 april 1991 ingediend verzoek van belanghebbende heeft de Inspecteur bij beschikking van 28 november 1991 het voordeel als bedoeld in het eerste lid van vorengenoemd artikel ter zake van waardeverandering van tot belanghebbendes landbouwbedrijf behorende grond vastgesteld op nihil. Deze beschikking is, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur gehandhaafd. Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof, dat deze uitspraak heeft bevestigd.

2. Geding in cassatie Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld en daarbij een middel van cassatie voorgesteld. De Staatssecretaris van Financiën heeft bij vertoogschrift het cassatieberoep bestreden.

3. Beoordeling van het middel van cassatie 3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan:

3.1.1. Belanghebbende oefent als vennoot in een vennootschap onder firma een tuinbouwbedrijf uit. Op 31 maart 1986 behoorde tot het (buitenvennootschappelijk) ondernemingsvermogen van belanghebbende een stuk grond ter grootte van 513 m2, welke grond op 15 februari 1985 voor een bedrag van f 5.130,-- uit de vennootschap aan belanghebbende was toe gescheiden. Op deze grond is zijn woonhuis gebouwd.

3.1.2. Het, op 17 maart 1987 gedagtekende, resultaat van een door een aan de Inspectie der registratie en successie te Q verbonden taxateur gedaan waarde-onderzoek houdt in dat de waarde van voormelde grond - waarbij de taxateur is uitgegaan van een oppervlakte van 5.40 are - per 15 februari 1985 is vastgesteld op f 25.000,--. De agrarische waarde van de grond werd vastgesteld op ongeveer f 1.200,-- (uitgaande van ongeveer f 22.000,-- per ha.).

3.1.3. In de onderhavige beschikking is met betrekking tot de waarde van de grond het volgende vermeld:

"Overwegende, dat de waarde in vrij-opleverbare staat van de grond op 31 maart 1986 f 25.000,-- zou hebben bedragen; dat de waarde (in bewoonde staat) die in het economische verkeer aan de grond, zo deze geen agrarische bestemming zou hebben, op 31 maart 1986 zou moeten worden toegekend f 15.000,-- bedraagt; dat de waarde in het economische verkeer van de grond in agrarische bestemming op 31 maart 1986 f 5.130,-- bedraagt."

3.2.1. Tussen partijen was voor het Hof in geschil of per 31 maart 1986 met betrekking tot voormelde grond sprake is van een voordeel ter zake van waardeverandering als bedoeld in artikel 70, lid 1, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964.

3.2.2. Belanghebbende stelde zich op het standpunt dat, gelet op het in de onderhavige beschikking vastgestelde positieve waardeverschil tussen de waarde in het economische verkeer en de waarde in het economische verkeer bij agrarische bestemming van de grond, de bestemmingswijzigingswinst dient te worden bepaald op f 19.870,--.

3.2.3. De Inspecteur betoogde daarentegen dat er op 31 maart 1986 geen enkele kans bestond op spoedige aanwending van de grond buiten het kader van de uitoefening van een landbouwbedrijf en dat niemand, al dan niet agrariër, voor de grond meer zou hebben geboden dan de waarde in het economische verkeer bij agrarische bestemming. Ter zitting heeft de Inspecteur voorts gesteld dat het in de beschikking genoemde bedrag van f 25.000,-- als waarde in vrij opleverbare staat van de grond op 31 maart 1986 niet meer dan een imaginaire waarde representeert, namelijk de waarde die er zou zijn, als de grond geen agrarische bestemming zou hebben. In casu is er - aldus de Inspecteur - per 31 maart 1986 geen verschil tussen de waarde in het economische verkeer en de waarde in het economische verkeer bij agrarische bestemming, zodat de bestemmingswijzigingswinst nihil bedraagt.

3.3. Het Hof heeft geoordeeld dat, gelet op hetgeen over en weer is aangevoerd, belanghebbende tegenover de gemotiveerde betwisting door de Inspecteur niet aannemelijk heeft gemaakt dat de waarde in het economische verkeer van de in geding zijnde grond op 31 maart 1986 hoger was dan de waarde in het economische verkeer bij agrarische bestemming van die grond.

3.4. Het middel, dat zich met een motiveringsklacht richt tegen voormeld oordeel, is gegrond, aangezien 's Hofs oordeel geen inzicht geeft in 's Hofs gedachtegang op grond waarvan het - in het licht van vorengenoemde andersluidende waarderingen - niet aannemelijk heeft geacht dat op de peildatum 31 maart 1986 niet sprake was van een verschil tussen de waarde in het economische verkeer en de waarde in het economische verkeer bij agrarische bestemming.

3.5. Uit het vorenoverwogene volgt dat 's Hofs uitspraak niet naar de eis der wet met redenen is omkleed, zodat de uitspraak niet in stand kan blijven. Verwijzing moet volgen.

4. Proceskosten De Hoge Raad acht termen aanwezig om ten aanzien van de proceskosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het geding in cassatie redelijkerwijs heeft moeten maken, te beslissen zoals hierna zal worden vermeld.

5. Beslissing De Hoge Raad vernietigt de uitspraak van het Hof, verwijst het geding naar het Gerechtshof te 's-Gravenhage ter verdere behandeling en beslissing van de zaak in meervoudige kamer met inachtneming van dit arrest, gelast dat door de Staatssecretaris van Financiën aan belanghebbende wordt vergoed het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie verschuldigd geworden griffierecht ten bedrage van f 300,--, en veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op f 1.420,-- voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Dit arrest is op 4 december 1996 vastgesteld door de vice-president R.J.J. Jansen als voorzitter, en de raadsheren Bellaart en Van Brunschot, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Van Hooff, en op die datum in het openbaar uitgesproken. Bij ontstentenis van de voorzitter is dit arrest ondertekend door de raadsheer Bellaart.