Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:1995:ZD0074

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
20-06-1995
Datum publicatie
21-06-2017
Zaaknummer
3287
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Niet-onbegrijpelijke vaststelling dat de in beslag genomen stukken, alvorens zij bij mr B. (registeraccountant) werden aangetroffen, aan de raadslieden niet als geheim waren toevertrouwd; het oordeel dat deze stukken geen object van verschoningsrecht van de raadslieden waren, waarmee het beroep op het af- geleide verschoningsrecht van mr B. met betrekking tot die stukken ongegrond is verklaard, is terecht, aldus HR. Sv art. 98.1 en 218.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafvordering 98
Wetboek van Strafvordering 218
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

20 juni 1995

Strafkamer

nr. 3287 Besch.

Hoge Raad der Nederlanden

Beschikking

op het beroep in cassatie tegen een beschikking van de Arrondissementsrechtbank te Amsterdam van 11 november 1994 op een beklag als bedoeld in artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering, ingediend door :

1. [mr. S.] . kantoorhoudende te [plaats] en

2. [mr. W.] . kantoorhoudende te [plaats] .

1. De bestreden beschikking

Na verwijzing van de zaak door de Hoge Raad bij beschikking van 29 maart 1994 heeft de Rechtbank aan de bewaarder last gegeven tot teruggave van de stukken in de bestreden beschikking bedoeld onder (i) en (iii) aan [mr. B.] en voorts het klaagschrift voor het overige ongegrond verklaard.

2. De cassatieberoepen

2.1. De beroepen zijn ingesteld door onderscheidenlijk de Officier van Justitie en [mr. W.] . Het beroep van [mr. W.] richt zich kennelijk niet tegen de gegeven last tot teruggave van stukken.

2.2. De Officier van Justitie heeft bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. Namens [mr. W.] heeft mr G. Spong, advocaat te 's-Gravenhage, het door de Officier van Justitie ingestelde beroep tegengesproken.

2.3. Namens [mr. W.] heeft genoemde mr Spong bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.

3. De conclusie van het Openbaar Ministerie

De Advocaat-Generaal Meijers heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van de Officier van Justitie in zijn beroep en tot verwerping van het beroep van [mr. W.] .

4. Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep van de Officier van Justitie

4.1. Ingevolge art. 447, tweede lid, Sv is het openbaar ministerie op straffe van niet-ontvankelijkheid verplicht binnen een maand na het instellen van het beroep een schriftuur in te dienen, houdende zijn middelen van cassatie.

4.2. De Officier van Justitie heeft blijkens de daarvan opgemaakte akte beroep in cassatie ingesteld op 21 november 1994, terwijl blijkens een daarop geplaatst stempel de schriftuur op 22 december 1994 ter griffie van de Rechtbank is ingekomen.

4.3. Uit het vorenoverwogene volgt dat de schriftuur niet tijdig is ingediend, zodat de Officier van Justitie in diens cassatieberoep niet kan worden ontvangen.

5. Beoordeling van het namens [mr. W.] voorgestelde middel

5.1. Blijkens het proces-verbaal van het onderzoek door de raadkamer van 7 oktober 1994 is door de klagers het verweer gevoerd dat de ten processe bedoelde stukken in beslag zijn genomen met schending van het aan [mr. B.] als deskundige toekomende afgeleide verschoningsrecht .

5.2. De Rechtbank heeft dit verweer met betrekking tot de in de bestreden beschikking onder (ii) aangeduide stukken als volgt verworpen:

5. Het beslag op de stukken onder (ii), blijft gehandhaafd. Het klaagschrift te dier zake is ongegrond.

6. Het betrekking tot de stukken onder (ii) kan immers niet gelden dat deze door de raadslieden aan [mr. B.] ter hand zijn gesteld. De stukken zijn door [A] c.s. aan [mr. B.] ter hand gesteld. Het geval doet zich niet voor dat deze stukken voordat zij aan [mr. B.] ter hand waren gesteld, object van verschoningsrecht waren van de raadslieden. Deze stukken waren immers de raadslieden niet als geheim toevertrouwd alvorens zij bij [mr. B.] werden aangetroffen. De stelling dat [A] c.s. door de stukken aan [mr. B.] ter hand te stellen, deze door tussenkomst van [mr. B.] aan de raadslieden toevertrouwde, kan niet als juist worden aanvaard. Dit is niet anders indien voorgaand aan het ter hand stellen aan [mr. B.] van deze stukken door [A] c.s. overleg is geweest tussen [A] c.s. en [mrs. S.] en/of [mr. W.] .

7. De stelling van de verdediging dat de Hoge Raad heeft beslist dat het er niet toe doet op welke wijze de deskundige de stukken ontvangt (al dan niet via de raadslieden), berust op een onjuiste lezing van de overwegingen van de Hoge Raad. De Hoge Raad overweegt slechts met betrekking tot stukken die voordat zij door de raadslieden aan [mr. B.] ter hand waren gesteld object waren van het verschoningsrecht van de raadslieden. De Hoge Raad heeft zich aldus niet uitgelaten over stukken die niet door de raadslieden aan [mr. B.] ter hand zijn gesteld.

8. Hierop faalt het beroep van klagers op het verschoningsrecht met betrekking tot de stukken onder (ii). De stukken zijn nimmer in de handen van de raadslieden geweest en dus niet aan de raadslieden toevertrouwd. Er kan redelijkerwijs geen twijfel over bestaan dat het oordeel van de raadslieden onjuist is dat deze stukken desalniettemin object van hun verschoningsrecht zijn.

5.3. Een deskundige, aan wie een advocaat stukken ter hand stelt of laat stellen die object zijn van het aan de advocaat toekomende verschoningsrecht, komt een afgeleid verschoningsrecht toe. Met een beroep op dit hem toekomende afgeleide verschoningsrecht zal deze deskundige zich kunnen verzetten tegen inbeslagneming van zodanige stukken indien en voor zover deze zich bij hem bevinden in verband met de vervulling van een door hem aanvaarde opdracht, welke hem is verleend door de advocaat in het kader van de behandeling van een bepaalde door een cliënt aan deze toevertrouwde aangelegenheid {vgl. HR 29 maart 1994, NJ 1994, 552).

5.4. De Rechtbank heeft feitelijk en niet onbegrijpelijk vastgesteld dat de in de bestreden beschikking onder (ii) aangeduide stukken, alvorens zij bij [mr. B.] waren aangetroffen, aan de raadslieden niet als geheim waren toevertrouwd. Uitgaande van die vaststelling heeft de Rechtbank terecht geoordeeld dat deze stukken niet object van verschoningsrecht van de raadslieden waren, en mitsdien het beroep op het afgeleide verschoningsrecht van [mr. B.] met betrekking tot die stukken terecht ongegrond verklaard.

5.5. Het middel is derhalve tevergeefs voorgesteld.

6. Slotsom

Nu het namens [mr. W.] voorgestelde middel niet tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad ook geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden beschikking ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet worden beslist als volgt.

7. Beslissing

De Hoge Raad:

Verklaart de Officier van Justitie niet-ontvankelijk in zijn beroep;

Verwerpt het beroep van [mr. W.] .

Deze beschikking is gegeven door de vice- president Hermans als voorzitter, en de raadsheren Keijzer en Schipper in bijzijn van de griffier Bogaert in raadkamer, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 20 juni 1995.