Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:1995:AA3168

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
25-10-1995
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
29939
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BNB 1996/322
FED 1996/636
WFR 1996/1179, 1
V-N 1996/3075, 17

Uitspraak

gewezen op het beroep in cassatie van X te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Leeuwarden van 17 september 1993 betreffende de hem voor het jaar 1990 opgelegde aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.

1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof Aan belanghebbende is voor het jaar 1990 een aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen van ƒ 98.566,--, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd. Belanghebbende is van de uitspraak van de Inspecteur in beroep gekomen bij het Hof. Het Hof heeft die uitspraak bevestigd.

2. Geding in cassatie Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld en daarbij enige klachten aangevoerd. De Staatssecretaris van Financiën heeft het beroep bij vertoogschrift bestreden. 3. Beoordeling van de klachten 3.1. In cassatie kan worden uitgegaan van het volgende. Belanghebbende was in 1990 werkzaam bij een eenheid van de belastingdienst in de functies van teamleider en van plaatsvervangend hoofd. Hij heeft in 1990 voor een bedrag van ƒ 4.656,-- uitgegeven aan vakliteratuur. De Inspecteur heeft bij de regeling van belanghebbendes aanslag hiervan slechts een bedrag van ƒ 1.000,-- als aftrekbare kosten in aanmerking genomen. Hij was op grond van een door hem ingesteld onderzoek naar de omvang van de uitgaven voor vakliteratuur bij 23 plaatsvervangende hoofden van dienst en/of teamleiders van oordeel dat hetgeen belanghebbende in 1990 meer aan vakliteratuur had uitgegeven dan ƒ 1.000,-- overtrof wat in dat jaar gebruikelijk was. 3.2. Het Hof is de Inspecteur in deze zienswijze gevolgd. Het heeft daartoe redengevend geoordeeld dat de Inspecteur met het in 3.1 vermelde onderzoek voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat het in 1990 niet gebruikelijk was dat met betrekking tot de door belanghebbende verworven inkomsten meer dan ƒ 1.000,-- aan kosten van vakliteratuur werd uitgegeven. 3.3. Voor uitgaven die betrekking hebben op inkomsten uit dienstbetrekking komt het bij de beantwoording van de vraag of en in hoeverre die uitgaven overtreffen hetgeen gebruikelijk is erop aan of de totale omvang van de uitgaven van een bepaalde soort, alle omstandigheden van het geval in aanmerking genomen - waaronder bij voorbeeld door de werkgever verstrekte voorzieningen en toegekende vergoedingen en hetgeen anderen die een zelfde of een soortgelijke dienstbetrekking vervullen daarvoor plegen uit te geven -, redelijkerwijs als normaal kan worden beschouwd. Deze beoordeling leent zich niet voor een uitsluitend cijfermatige benadering, en een zekere marge is daarbij onvermijdelijk (HR 28 juni 1995, nr. 30 321, BNB 1995/255). 3.4. Het Hof heeft derhalve de vraag of de door belanghebbende in 1990 voor vakliteratuur gedane uitgaven overtreffen hetgeen gebruikelijk is, niet beantwoord aan de hand van de in 3.3 bedoelde maatstaf. 3.5. De klachten zijn in zoverre gegrond en behoeven voor het overige geen behandeling meer. De uitspraak kan niet in stand blijven. Verwijzing moet volgen.

4. Proceskosten De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken.

5. Beslissing De Hoge Raad vernietigt de uitspraak van het Hof, behoudens de beslissing omtrent het griffierecht, verwijst het geding naar het Gerechtshof te Arnhem ter verdere behandeling en beslissing van de zaak in meervoudige kamer met inachtneming van dit arrest, gelast dat door de Staatssecretaris van Financiën aan belanghebbende wordt vergoed het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie gestorte griffierecht ten bedrage van ƒ 300,-- en bepaalt dat door de Griffier van de Hoge Raad aan belanghebbende wordt terugbetaald het ter zake van de vervanging van de mondelinge uitspraak bij het Hof gestorte bedrag van ƒ 150,--.

Dit arrest is gewezen door de raadsheer Zuurmond als voorzitter, en de raadsheren Herrmann en Fleers, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Den Ouden, in raadkamer van 25 oktober 1995.