Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:1995:AA3160

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
13-12-1995
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
30433
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wet op de omzetbelasting 1968 11, geldigheid: 1995-12-13
Wet op de omzetbelasting 1968 11, geldigheid: 1995-12-13
Uitvoeringsbeschikking omzetbelasting 1968 8, geldigheid: 1995-12-13
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BNB 1996/71
FED 1996/24
FED 1996/68
WFR 1995/1969
V-N 1996/453, 9

Uitspraak

gewezen op het beroep in cassatie van de Stichting X te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 15 juni 1994 betreffende na te melden naheffingsaanslag in de omzetbelasting.

1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof Aan belanghebbende is over het tijdvak 1 januari 1984 tot en met 31 december 1987 een naheffingsaanslag in de omzetbelasting opgelegd ten bedrage van 185.962,-- aan enkelvoudige belasting en ƒ 18.596,-- aan verhoging, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd, met het besluit geen verdere kwijtschelding van de verhoging te verlenen. Belanghebbende is tegen die uitspraak en dat besluit in beroep gekomen bij het Hof, dat deze uitspraak heeft vernietigd en de naheffingsaanslag heeft verminderd tot een aanslag ten bedrage van ƒ 185.962,-- aan enkelvoudige belasting, zonder toepassing van een verhoging. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De Staatssecretaris van Financiën heeft bij vertoogschrift het cassatieberoep bestreden, met uitzondering van de klacht tegen de beslissing over de proceskosten. Belanghebbende heeft de zaak doen toelichten door mr. P.J. de Bruin, advocaat te Rotterdam.

3. Beoordeling van het middel van cassatie 3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan:

3.1.1. Volgens haar statuten heeft belanghebbende ten doel het ontwikkelen en verbreiden van de Iatrosophia. Het streven van belanghebbende is gericht op het genezen van de individuele mens, en daardoor van de mensheid, het genezen van het dierenrijk als verantwoordeljkheid van de mens, het bijdragen aan de metamorfose van het plantenrijk en het genezen van de aarde als stoffelijk lichaam van Christus. Zij tracht haar geestelijke doeleinden eveneens te bereiken door het oprichten en beheren van een Michaëlsacademie. Zij beoogt tevens het ontwikkelen en uitdragen van een sociale geneeskunst, op basis van de door dr. Rudolf Steiner uitgesproken inzichten in de sociale driegeleding. Zij tracht haar doel te verwezenlijken door het verzorgen van een twaalfjarige opleiding in de Iatrosophia, het stichten en onderhouden van centra waar de genezing van mens en dier kunnen worden bevorderd door middel van de vijf behandelingsmogelijkheden die de Iatrosophia ten dienste staan, het stichten en onderhouden van een cultureel centrum, waar opleiding en therapie, research, de bewerking van de aarde en kunstzinnige activiteiten in een harmonische afwisseling van stoffelijk werk en vergeestelijking kunnen worden ondernomen, het (doen) uitgeven van aan het doel van de stichting dienstbare boeken en tijdschriften, het beheren van een boekerij ten behoeve van studenten, patiënten en andere belangstellenden, het organiseren en houden van congressen en lezingen en het verrichten van alle andere activiteiten, die dienstbaar zijn aan het bovengeformuleerde doel.

3.1.2. Belanghebbende verzorgt een opleiding welke is gericht op het functioneren van personen als "iatrosoof". De opleiding kent geen tentamens, examens of diploma. Er vindt geen beoordeling plaats van de deelnemers. De opleiding leidt niet tot een lidmaatschap van een organisatie. De verantwoordelijkheid voor het effect van de opleiding wordt bij de student gelaten. De verantwoordelijkheid voor de kwaliteit van de gegeven colleges ligt bij de docenten. Bij deze opleiding staat gedurende de eerste drie jaar de persoonlijkheid centraal. Vanuit het principe van de driegeleding wordt, middels de verschillende invalshoeken der gegeven vakken, aandacht besteed aan denken, voelen en willen in de ruimste doch persoonlijke zin, voornamelijk via hoorcolleges. De daarop volgende vier jaar staat in het teken van de individualiteit, die in het midden van de vier functies: gewaarworden, denken, voelen en intuïtie kan ontstaan. Bijdragen van de studenten aan de colleges nemen toe. De derde fase van vijf jaar is gewijd aan het functioneren van de mens in de collectiviteit. Het bestuderen van de mogelijkheden om een individuele bijdrage te leveren aan het veranderen van de destructieve invloed van het collectief staat centraal. De wijze van uitwisseling tijdens de colleges geschiedt naar het voorbeeld der Platoonse Academies, zoals die van Lorenzo de Medici in Florence en Alanus ab Insulis in Chartres. Na twaalf jaar kan aansluiting gevonden worden bij de Michaëlacademie, van waaruit het geleerde praktisch kan worden beoefend. De opleiding kent verschillende soorten colleges. De basis wordt gevormd door de jaarcolleges. Per jaar wordt tijdens twaalf collegedagen de ontwikkeling van de student begeleid. Zeven zondagcolleges schenken de mogelijkheid zich een eigen inzicht te verschaffen met betrekking tot de interactie tussen filosofie en geesteswetenschap. Zeven praktijkcollegedagen bereiden de "homoeopathische" en iatrosofische praktijk voor.

3.1.3. Bij een in 1989 vanwege de Inspecteur bij belanghebbende ingesteld boekenonderzoek is geconstateerd dat over de jaren 1984 tot en met 1988 met betrekking tot de in die jaren ter zake van op het terrein van geneeskunde, collegium en boekerij gerealiseerde opbrengsten niet volledig omzetbelasting op aangifte is voldaan, maar dat over die jaren wel bedragen aan omzetbelasting op de balans zijn gereserveerd.

3.2. Het Hof heeft geoordeeld dat belanghebbende dient te worden aangemerkt als ondernemer in de zin van de Wet op de omzetbelasting 1968 (hierna: de Wet). Het Hof heeft vervolgens geoordeeld dat de vraag of de activiteiten van belanghebbende zijn aan te merken als het verstrekken van onderwijs als gehanteerd in artikel 11, lid 1, letter o, van de Wet, artikel 8 van het Uitvoeringsbesluit omzetbelasting 1968 en artikel 13.A, lid 1, onderdelen i en j, van de Zesde Richtlijn, moet worden beantwoord aan de hand van het spraakgebruik, en heeft vervolgens geoordeeld dat naar het spraakgebruik de hiervóór in 3.1.2 weergegeven feiten en omstandigheden niet de conclusie kunnen rechtvaardigen dat belanghebbende zich in de onderwerpelijke periode heeft bezig gehouden met het verstrekken van onderwijs. Tegen laatstgenoemd oordeel richten zich de onderdelen 2 en 3 van het middel.

3.3. Belanghebbendes desbetreffende activiteiten dienen - anders dan het Hof heeft geoordeeld - op grond van de hiervóór in 3.1.2 weergegeven feiten en omstandigheden naar het spraakgebruik aangemerkt te worden als het verstrekken van onderwijs. Het middel is dus in zoverre gegrond.

3.4. Onderdeel 10 van het middel betoogt dat het Hof ten aanzien van de proceskosten een onjuiste maatstaf heeft aangelegd door de onderhavige zaak als samenhangend te beschouwen met de zaken betreffende de Stichting X, waarvan in de ene door het Hof genoemde zaak, die bij het Hof bekend is onder nummer 900279-M-1, een proceskostenveroordeling is uitgesproken. Aangevoerd wordt dat geen sprake is van nagenoeg identieke besluiten waartegen beroep is ingesteld, daar de onderhavige zaak betrekking heeft op omzetbelasting en voornoemde andere zaak betrekking heeft op vennootschapsbelasting. Deze klacht is gegrond, aangezien de inhoud van de onderhavige besluiten geen andere gevolgtrekking toelaat dan dat hier niet sprake is van nagenoeg identieke besluiten in de zin van artikel 3, lid 2, van het Besluit proceskosten fiscale procedures.

3.5. De overige onderdelen van het middel kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien artikel 101a van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu die onderdelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3.6. Gelet op het hiervóór in 3.3 en 3.4 overwogene kan 's Hofs uitspraak niet in stand blijven. Verwijzing moet volgen. Het verwijzingshof dient te onderzoeken of de hiervóór in 3.1.2 bedoelde activiteiten aan te merken zijn als het verstrekken van onderwijs in de zin van artikel 8, lid 1, letters a of c, van het Uitvoeringsbesluit omzetbelasting 1968, in de voor het tijdvak van naheffing geldende teksten. Tevens dient een nadere beslissing te worden gegeven omtrent de proceskosten van de procedure voor het Hof te 's-Gravenhage.

4. Proceskosten De Hoge Raad acht termen aanwezig om ten aanzien van de proceskosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het geding in cassatie redelijkerwijs heeft moeten maken, te beslissen als hierna zal worden vermeld. De Hoge Raad beschouwt de onderhavige zaak als een samenhangende zaak in de zin van artikel 3 van het Besluit proceskosten fiscale procedures met de zaak nr. 30.434, waarin heden uitspraak wordt gedaan.

5. Beslissing. De Hoge Raad vernietigt de uitspraak van het Hof, met uitzondering van de beslissing omtrent het griffierecht, verwijst het geding naar het Gerechtshof te Amsterdam ter verdere behandeling en beslissing van de zaak in meervoudige kamer met inachtneming van dit arrest, gelast dat door de Staatssecretaris van Financiën aan belanghebbende wordt vergoed het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie verschuldigd geworden griffierecht ten bedrage van ƒ 300,--, en veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op de helft van ƒ 5.680,--, derhalve ƒ 2.840,--, voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Dit arrest is op 13 december 1995 vastgesteld door de vice-president R.J.J. Jansen als voorzitter en de raadsheren Van der Linde, Bellaart, De Moor en Van der Putt-Lauwers, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Van Hooff, en op die datum in het openbaar uitgesproken.